Gisteren schreef ik over de vraag welke God we zouden willen: willen we een geest uit de fles, die ons het leven makkelijker maakt, of een God die ons probeert beter te laten worden als persoon? Uiteraard kwam hier heel snel reactie op, en een typische reactie die ik kreeg was in de vorm van een YouTube-filmpje van Stephen Fry, waarin hij op goedkope wijze sentiment oproept om punten te scoren tegen religie.
Het pleidooi van Stephen Fry is een klassieker geworden. Met zijn kenmerkende welbespraaktheid verwoordt hij de woede die velen voelen: hoe kan een liefdevolle God een wereld ontwerpen waarin kinderen lijden aan botkanker of blind worden door parasieten? Zijn conclusie is snoeihard: zo’n God is een monster en verdient geen respect.
Het is een argument dat staat als een huis, tenzij je de vraag stelt die we vaak liever vermijden: waar trekken we dan precies de grens?
De onmogelijke grens van een perfecte wereld
Stel dat we God de opdracht geven om de wereld te ‘repareren’ volgens de maatstaven van Fry. We beginnen bij de meest schrijnende gevallen: geen kinderen meer die sterven aan kanker. Iedereen zou het daar onmiddellijk mee eens zijn. Maar wat volgt daarna?
Zodra je begint met het wegfilteren van lijden, kom je onvermijdelijk op een hellend vlak terecht:
- Wie mag er nog ziek worden? Als we kanker bij kinderen afschaffen, wat doen we dan met jongvolwassenen? Of met ouders van jonge gezinnen? Is hun lijden minder erg?
- Wat is een ‘acceptabele’ ziekte? Mag een milde griep nog wel, of moet elke vorm van fysiek ongemak worden uitgebannen?
- Hoe gaan we dood? Als ziektes niet meer bestaan, waaraan sterven we dan? Blijft iedereen eeuwig leven?
- De logistiek van de eeuwigheid: Als niemand meer sterft, hoe lossen we de overbevolking op? Moeten we de geboorte van nieuwe kinderen verbieden om de planeet leefbaar te houden? Of moeten we een ‘uiterste houdbaarheidsdatum’ prikken waarop iedereen verplicht moet vertrekken?
Als je deze gedachte tot het einde toe volgt, besef je dat het wegnemen van elk lijden paradoxaal genoeg leidt tot een wereld die kouder en onmenselijker is dan de wereld die we nu kennen. Een wereld met een verplichte sterfdatum of een verbod op nieuw leven klinkt meer als een dystopische nachtmerrie dan als een goddelijk paradijs.
De matrix van de goddelijke ingenieur
Het argument van Fry gaat uit van een God die een perfecte machine had moeten afleveren. Maar in een machine is geen ruimte voor keuzevrijheid. Als God elk virus, elke mutatie en elke foute menselijke keuze onmiddellijk zou corrigeren, dan zouden we eindigen in een realiteit zoals die van de film ‘The Matrix’.
In zo’n scenario zijn we:
- Geprogrammeerd: We zouden genetische klonen van elkaar moeten zijn om elke vorm van defect of variatie uit te sluiten.
- Bestuurd: Onze eigen wil zou ondergeschikt zijn aan de ‘algemene veiligheid’. We zouden niet kunnen kiezen voor risico, en dus ook niet voor echte groei.
- Uitgeschakeld: We zouden enkel bestaan als passieve ontvangers van een rimpelloos leven, zonder de mogelijkheid om zelf iets te overwinnen.
Willen we echt in een wereld leven waar we volledig worden bestuurd door een externe macht, enkel en alleen zodat we nooit pijn hoeven te voelen?
Waarom tegenstelling de motor van groei is
In mijn geloofsovertuiging leren we dat deze wereld juist niet bedoeld is om een pijnloos paradijs te zijn. Het verhaal van de Hof van Eden is essentieel: Adam en Eva kozen ervoor om de statische volmaaktheid te verlaten. Waarom? Omdat ze wisten dat ze zonder tegenstellingen nooit ‘wijsheid’ zouden kunnen verkrijgen.
Je kunt geen licht begrijpen als er nooit duisternis is geweest. Je kunt geen diepe vreugde voelen als je de afwezigheid daarvan niet kent. En cruciaal: je kunt geen kracht ontwikkelen als er geen weerstand is om tegen te duwen.
De belofte is niet ‘geen pijn’, maar ‘nooit alleen’
Het grote misverstand in de discussie met atheïsten zoals Fry is vaak het doel van het geloof. Geloof is er niet om de realiteit makkelijker te maken door alle problemen weg te toveren. Geloof is het besef dat God ons de middelen geeft om met die problemen om te gaan.
Wanneer we geconfronteerd worden met verlies of ziekte, is de vraag niet: ‘Waarom doet God dit?’ De vraag is: ‘Hoe geeft God mij nu de kracht om dit te dragen?’
In de Schriften staat niet dat we gespaard zullen blijven van de storm, maar dat Hij ons nooit alleen zal laten. Die aanwezigheid geeft een rust en een perspectief dat verder reikt dan de tijdelijke ellende van dit leven. Het stelt ons in staat om naar een tragedie te kijken en te zeggen: ‘Dit is vreselijk en ik begrijp het ‘waarom’ nu niet, maar ik weet dat dit deel uitmaakt van een eeuwig plan waarin elk onrecht uiteindelijk rechtgezet zal worden.’
De moed om de wereld te aanvaarden
Het is heel makkelijk om Stephen Fry na te praten. Zijn woede is begrijpelijk en menselijk. Maar als we dieper nadenken, zien we dat zijn ‘ideale wereld’ een wereld zonder mensen zou zijn — een wereld van robots in een steriele omgeving.
Ik kies liever voor een wereld waarin we de kans krijgen om fouten te maken, waarin we de rauwe randjes van het leven voelen en waarin we door diep lijden heen een kracht kunnen ontdekken die we anders nooit hadden gekend. God is voor mij niet de dictator die de ziektes programmeert, maar de liefdevolle Vader die ons de vrijheid geeft om te worden wie we moeten zijn, en die ons opvangt wanneer we vallen.
Dat perspectief maakt me niet alleen gelukkiger, het geeft me de moed om elke dag opnieuw de strijd aan te gaan, wetende dat ik er beter van word en dat ik nooit alleen sta.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


