Er was een tijd dat ik dit artikel nooit geschreven zou hebben.
Twintig jaar lang was ik politiek actief. En in die twintig jaar was de redenering voor mij zo goed als sluitend: de overheid is van iedereen, dus de overheid toont niets. Geen kruis, geen hoofddoek, geen kippa. Neutraliteit als schild. Ik verdedigde dat standpunt met overtuiging.
Maar overtuigingen die niet groeien, worden op den duur hol.
Wat veranderde er?
Niet mijn geloof in een neutrale overheid. Wel mijn begrip van wat neutraliteit eigenlijk moet bereiken.
Het doel is nooit het symbool geweest. Het doel is dat elke burger, ongeacht zijn overtuiging, zijn afkomst of zijn identiteit, gelijk behandeld wordt door de mensen en instellingen die hem dienen. Dat is een mooi en nastrevenswaardig doel. De vraag die ik mezelf steeds vaker stel, is simpelweg: bereiken we dat met een symbolenverbod?
De eerlijke conclusie dwingt mij tot een eerlijk ‘neen’.
Onze overheid discrimineert vandaag nog steeds, symboolverbod of niet. Niet altijd opzettelijk, maar structureel. Ik hoef niet ver te zoeken voor voorbeelden. Als kerk in een groeiende gemeenschap weten we wat het is om een gebouw te willen herbestemmen en te botsen op muren van bureaucratische terughoudendheid. We weten wat het is om te worden geweigerd op een vredesfestijn — niet omdat we iets misdaan hadden, maar omdat we vertegenwoordigers zijn van een kerk. Als dat de vrucht is van strikte neutraliteit, dan lossen we het verkeerde probleem op.
Wat ons geloof ons leert
In de Artikelen des Geloofs van onze kerk — één van de meest kernachtige beschrijvingen van wat wij als heiligen der laatste dagen geloven — staat een zin die ik steeds belangrijker ben gaan vinden:
‘Wij erkennen het voorrecht om de Almachtige God te aanbidden naar de voorschriften van ons eigen geweten, en staan aan anderen toe hetzelfde voorrecht toe te kennen.’
Dat is geen diplomatieke concessie. Dat is een geloofsdaad.
Wij zijn niet neutraal over ons eigen geloof. Wij geloven met heel ons hart. Juist daarom kunnen wij van binnenuit begrijpen wat het betekent wanneer iemand anders ook met heel zijn hart gelooft — of precies het tegenovergestelde gelooft. Die kracht van eigen overtuiging maakt je niet enger, ze maakt je ruimer. Wie zeker is van zichzelf, hoeft de ander niet te vrezen.
Christus zei het scherper dan ik het ooit zou durven: heb je vijanden lief. Dat is geen zachte aanbeveling. Het is een radicale instructie die het denken in termen van ‘tegenstander’ volledig onderuit haalt. Als wij onze vijanden lief moeten hebben, hoeveel te meer dan de mensen die gewoon anders zijn dan wij?
Symbolen zijn geen bedreiging. Ze zijn een uitnodiging.
Ik denk dat de angst voor religieuze symbolen in de publieke ruimte niet voortkomt uit een helder principe, maar uit een decennialange gewoonte om religie te verdringen. Alles wat met geloof te maken had, moest stilaan uit het zicht. En het gevolg? Religie is niet verdwenen. Ze heeft duistere hoekjes opgezocht. Ze is minder begrijpelijk geworden, niet minder aanwezig.
Wat als we het omdraaien?
Wat als een leerkracht met een hoofddoek precies het moment is waarop kinderen leren dat iemand anders kan zijn en toch volkomen betrouwbaar, volkomen rechtvaardig, volkomen de moeite waard om van te leren? Wat als de zichtbaarheid van geloof in het openbare leven geen probleem is, maar een kans — om te vragen, om te leren, om minder bang te worden?
Ik wil weten wie er voor me staat. Niet als wantrouwen, maar als respect. Iemand die open is over wat hem drijft, en die tegelijk zijn werk doet voor iedereen — dat is geen zwakke overheid. Dat is een rijke samenleving.
Wij als vredestichters
Onze kerkleiders vragen ons om vredestichters te zijn. Niet als fraaie metafoor, maar als concreet engagement in de wereld waar we in leven.
In een debat dat al jaren wordt gevoerd in termen van angst en controle, is er ruimte voor een andere stem. Niet de stem van wie het hardst roept, maar van wie het breedst kijkt. Wij weten wat het is om te geloven en om daarvoor soms op weerstand te botsen. Juist daardoor kunnen we begrijpen wat anderen doormaken. Juist daardoor kunnen we bruggen bouwen waar anderen muren optrekken.
Het begint niet met een decreet of een rechtszaak. Het begint met een gesprek. Met de bereidheid om te vragen: wat betekent dit symbool voor jou? Wat drijft jou? Wat geloof jij?
En wie weet wat er dan gebeurt.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.





