Als bisschop van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen kijk ik met gemengde gevoelens naar de aangekondigde hervormingen van het godsdienstonderwijs in Vlaanderen. Mijn positie is bijzonder: ik ben geen rechtstreeks betrokken partij, want de theologie waarin ik geloof wordt niet als dusdanig gegeven op school. Toch voel ik me diep verbonden met dit debat, omdat het raakt aan iets wat ik fundamenteel belangrijk vind voor onze jeugd en voor de toekomst van onze samenleving.
Christelijke wortels, verschillende tradities
Laat me eerst eerlijk zijn over mijn eigen situatie. Mijn kerk is christelijk, en ik waardeer het enorm dat het rooms-katholieke godsdienstonderricht op onze scholen sterk focust op Christus. Die gemeenschappelijke kern is waardevol en verbindt ons over de grenzen van onze specifieke tradities heen. Maar er blijft een verschil tussen wat ik geloof en wat er in de klas onderwezen wordt. Dat maakt me tegelijk een buitenstaander én een betrokken waarnemer. Ik heb geen rechtstreeks belang bij het voortbestaan van het katholieke godsdienstonderwijs in zijn huidige vorm, maar ik heb wel een diep belang bij wat religie kan betekenen voor jonge mensen.
Die dubbele positie geeft me misschien net een interessant perspectief. Ik kijk niet naar dit debat vanuit de verdediging van mijn eigen traditie, maar vanuit een breder besef van wat geloof — welk geloof dan ook — kan bijdragen aan de vorming van jonge mensen.
Wat we dreigen te verliezen
Los van mijn eigen geloofstraditie blijf ik godsdienst — welke religie het ook is — heel belangrijk vinden voor onze jongeren. Het brengt aspecten bij die we anders zouden missen. Religieus onderwijs nodigt uit tot vragen die in andere vakken zelden aan bod komen. Wat is de zin van het leven? Wat betekent het om goed te leven? Hoe ga je om met lijden, met verlies, met de eindigheid van het bestaan? Hoe verhoud je je tot iets dat groter is dan jezelf?
Dit zijn geen abstracte filosofische puzzels. Dit zijn vragen waarmee elk mens vroeg of laat geconfronteerd wordt. En religie biedt niet alleen vragen, maar ook antwoorden — of toch minstens kaders waarbinnen mensen doorheen de eeuwen naar antwoorden hebben gezocht. Die rijkdom aan wijsheid en ervaring dreigen we te verliezen wanneer we godsdienst uit het onderwijs wegduwen.
Ik weet dat er vaak wordt gekeken naar vervangende vakken zoals burgerschap of filosofie. Die hebben zeker hun waarde, en ik zou niet willen beweren dat ze overbodig zijn. Maar ze geven een andere insteek aan het leren van waarden in het leven. Ze benaderen waarden vanuit de rede, vanuit maatschappelijk nut, vanuit abstract denken. Filosofie leert je argumenteren over ethische kwesties. Burgerschap leert je functioneren in een democratische samenleving. Dat zijn waardevolle vaardigheden, zonder twijfel.
Maar het is niet hetzelfde als waarden die geworteld zijn in een levende traditie, in verhalen die generaties overspannen, in een gemeenschap die samen zoekt naar zin. Wanneer een kind leert over naastenliefde in de context van het verhaal van de barmhartige Samaritaan, dan is dat iets anders dan wanneer het leert over ‘prosociaal gedrag’ in een les burgerschap. Beide hebben hun plaats, maar ze zijn niet inwisselbaar.
Waarden als fundament van een gezonde samenleving
Ontstaan niet veel problemen in onze maatschappij vandaag omdat er te weinig belang gehecht wordt aan waarden? Ik stel die vraag niet retorisch, maar als een eerlijke bedenking. Kijk naar de groeiende eenzaamheid, naar de toename van psychische problemen bij jongeren, naar de polarisatie in het publieke debat, naar het wantrouwen tegenover instituties. Ik beweer niet dat religie de enige oplossing is voor al deze problemen. Maar ik vraag me wel af of we niet iets essentieels verliezen wanneer we de bronnen van zingeving en gemeenschap systematisch marginaliseren.
Wanneer we godsdienstonderwijs afbouwen, verliezen we een van de laatste plekken waar jongeren systematisch worden uitgenodigd om na te denken over wat écht belangrijk is in het leven. Niet wat praktisch is, niet wat economisch rendabel is, niet wat meetbaar is in competenties en leeruitkomsten, maar wat goed is. Wat waardevol is. Wat het leven de moeite waard maakt.
Ik besef dat geloof voor onze maatschappij alsmaar meer iets wordt dat thuishoort in de privésfeer. Religie wordt gezien als een persoonlijke keuze, zoals je voorkeur voor een bepaalde muziekstijl of een bepaalde sport. Maar ook dat vind ik jammer, want die vergelijking gaat mank. Geloof is niet zomaar een voorkeursoptie uit een catalogus van levensstijlen. Het is een manier om in de wereld te staan, een lens waardoor je de werkelijkheid bekijkt, een bron van richting en betekenis.
Het argument van de praktische bruikbaarheid
Als we moeten gaan kijken naar een onderwijs waar alleen wordt gegeven wat interessant of praktisch bruikbaar is, dan beginnen we aan het schrappen van heel wat zaken die voor iedereen verschillend kunnen zijn. Zo zullen er velen zijn die geschiedenis niet belangrijk vinden. Waarom moeten we leren over de Franse Revolutie of de Eerste Wereldoorlog? Wat is daar het praktische nut van? Anderen zullen zich afvragen waarom ze poëzie moeten lezen of muziekgeschiedenis moeten kennen. Wat heeft dat voor zin in een wereld die draait om technologie en economie?
En dan kan je van al die zaken wel zeggen dat ze bijdragen tot algemene ontwikkeling, tot het vormen van kritisch denkende burgers, tot het begrijpen van onze cultuur en onze identiteit. Maar mijn standpunt is dat godsdienst dat evenzeer doet. Misschien zelfs meer, omdat het niet alleen intellectuele kennis bijbrengt, maar ook existentiële vorming. Het leert jongeren niet alleen feiten over religies, maar nodigt hen uit om na te denken over hun eigen plaats in het grotere geheel. Over wat zij belangrijk vinden. Over hoe zij willen leven.
Net om waarden te ontwikkelen en als volwassene sterk in het leven te staan, hebben jongeren meer nodig dan alleen praktische vaardigheden en meetbare competenties. Ze hebben ook verhalen nodig, tradities, kaders van betekenis. En die vind je bij uitstek in religieuze tradities.
De vrees voor onverdraagzaamheid
Wat ik ook vrees is dat bij het afschaffen of marginaliseren van godsdienst religie nog minder herkenbaar zal zijn voor onze jongeren. En dat er misschien meer onverdraagzaamheid zal komen voor diegenen die wel geloven. Laat ons daar eerlijk over zijn: dit is nu soms al een splijtzwam in onze maatschappij. Gelovigen voelen zich steeds vaker buitenstaanders, mensen die iets vreemds aanhangen dat niet past in een ‘moderne’ wereld.
In sommige kringen is het bijna gênant geworden om te zeggen dat je gelooft. Je wordt bekeken als iemand die achterloopt, die nog niet is bijgekomen in de eenentwintigste eeuw, die vasthoudt aan achterhaalde overtuigingen. Die houding is niet alleen pijnlijk voor gelovigen, ze is ook gevaarlijk voor de samenleving als geheel. Want een samenleving die een deel van haar burgers wegzet als achterlijk of irrelevant, is een samenleving die de kiemen van polarisatie in zich draagt.
Als jongeren nooit meer in contact komen met religie op school, hoe zullen ze dan omgaan met gelovige klasgenoten, collega’s, buren? Onbekend maakt onbemind. Een samenleving die religie wegduwt uit het publieke domein, riskeert een samenleving te worden waar gelovigen met argwaan worden bekeken, waar geloof wordt geassocieerd met extremisme of irrationaliteit, waar geen ruimte meer is voor het gesprek over zingeving en transcendentie.
Ik zie dit nu al gebeuren. Jongeren die opgroeien zonder enige kennis van religie, begrijpen niet waarom sommige mensen naar de kerk gaan, waarom ze bidden, waarom ze bepaalde feestdagen vieren. Dat gebrek aan begrip kan makkelijk omslaan in afwijzing of zelfs vijandigheid. En dat is precies het tegenovergestelde van wat we zouden moeten nastreven in een diverse samenleving.
Een interlevensbeschouwelijk alternatief
Als er dan toch gesleuteld moet worden aan het vak godsdienst, dan vind ik dat het niet naar een neutraal vak moet gaan. Een neutraal vak suggereert dat je vanuit een positie buiten alle levensbeschouwingen objectief over die levensbeschouwingen kunt spreken. Maar die positie bestaat niet. Iedereen kijkt vanuit een bepaald perspectief naar de wereld, ook wie beweert geen levensbeschouwing te hebben. Neutraliteit is een illusie, en een gevaarlijke bovendien, omdat ze haar eigen vooronderstellingen verbergt.
Op zijn minst zou het vak dat godsdienst vervangt een vak moeten worden dat doorheen het jaar gegeven wordt en interlevensbeschouwelijk van aard is. Niet neutraal, maar meerstemmig. Niet boven de levensbeschouwingen zwevend, maar ertussen navigerend. Wanneer het problematisch lijkt om je als jong mens vast te pinnen op één godsdienst, vind ik het een aantrekkelijk idee dat jongeren in contact worden gebracht met diverse religies en de waarden waar zij voor staan.
Laat hen het christendom leren kennen in zijn vele vormen — katholiek, protestant, orthodox, en ja, ook tradities zoals de mijne. Laat hen kennismaken met de islam, met het jodendom, met het boeddhisme en het hindoeïsme. Laat hen ook humanistische en seculiere levensbeschouwingen ontdekken. Niet om te zeggen dat alles hetzelfde is of dat het niet uitmaakt wat je gelooft, maar om hen de rijkdom te tonen van de menselijke zoektocht naar zin en betekenis.
In die mate hoop ik dat als zo’n vak zou gegeven worden, men open zou staan voor veel meer gelegenheid om mensen vanuit de geloofsrichtingen zelf aan het woord te laten. Ik zou zeker als bisschop meer dan bereid zijn om naar de scholen in de buurt te gaan en te vertellen over wat geloof voor mij betekent. Niet met de bedoeling om zieltjes te winnen of jongeren te bekeren — dat is niet mijn rol en niet mijn ambitie — maar gewoon om aan te reiken wat een rijke invulling religie aan mijn leven geeft.
Laat jongeren getuigen horen van moslims, joden, hindoes, boeddhisten, christenen van diverse tradities. Laat hen zien dat geloof geen abstract concept is, maar iets dat echte mensen draagt doorheen het leven. Dat het antwoorden biedt op vragen die ieder mens zich stelt. Dat het gemeenschap creëert en verbondenheid. Dat het troost biedt in moeilijke tijden en richting geeft aan het dagelijkse leven.
Godsdienstvrijheid als grondrecht
Belangrijk vind ik dat we aandacht blijven hebben voor godsdienstvrijheid. Dit is geen bijkomstigheid, geen overblijfsel uit een vervlogen tijd, maar een fundamenteel mensenrecht dat de basis vormt van een vrije samenleving. Wat er ook verandert in het onderwijs: het mag niet zodanig zijn dat het niet-gelovige voorrang krijgt op het gelovige. Secularisme zou geen staatsreligie mogen worden die alle andere levensbeschouwingen naar de marge duwt.
Geloof is niet zomaar iets zoals een hobby die je beoefent, maar maakt echt onderdeel uit van je identiteit. Een geloofsbelevenis kan je dus niet op dezelfde manier behandelen als hobby’s of zaken die buiten het onderwijs thuishoren. Niemand zou beweren dat je muziekles of sportactiviteiten buiten de school moet houden omdat niet iedereen dezelfde instrumenten bespeelt of dezelfde sporten beoefent. Maar bij geloof lijkt die redenering wel op te gaan: omdat niet iedereen hetzelfde gelooft, moet geloof maar helemaal uit de school verdwijnen.
Aangezien geloof bouwt aan je identiteit, is het net zo belangrijk om onze jongeren de kans te geven dit mee op te nemen, zodat ze wel overwogen eigen keuzes kunnen maken. Niemand pleit ervoor om jongeren een geloof op te dringen. Dat zou inderdaad problematisch zijn en in strijd met diezelfde godsdienstvrijheid. Maar hen de kans ontnemen om religie te leren kennen, is even problematisch als hen een geloof opleggen. In beide gevallen ontneem je hen de vrijheid om zelf te kiezen.
Mijn achterdocht
De veranderingen die nu aangekondigd worden, kunnen misschien een goede zaak zijn. Ik wil niet bij voorbaat negatief zijn, en ik erken dat het huidige systeem ook zijn tekortkomingen heeft. Maar ik ben een beetje achterdochtig. Het lijkt erop dat men eigenlijk van dit vak af wilde, maar door een artikel in de grondwet dit niet zomaar kan. Onze grondwet garandeert immers het recht op levensbeschouwelijk onderwijs, en dat is een wijze bepaling die we niet lichtzinnig mogen omzeilen.
Men zal er dus nu alles aan doen om het vak in een verdomhoekje te steken. Door het aantal uren te verminderen, door het te concentreren in korte blokken, door het een marginale plaats te geven in het curriculum. De boodschap die daarvan uitgaat is duidelijk: dit is niet belangrijk, dit is een overblijfsel dat we wettelijk moeten dulden maar liever kwijt zouden zijn.
Als het vak vervalt tot iets wat een verplicht nummertje wordt, dat op enkele dagen per trimester kan afgehandeld worden, dan geven we echt een verkeerd signaal aan onze jongeren. Dan zeggen we eigenlijk: ‘Dit is niet belangrijk, dit is residu van vroeger, dit moet je even doorzitten.’ Welke jongere zal dan nog serieus nadenken over de vragen die in zo’n vak aan bod komen? Welke leerkracht zal nog gemotiveerd zijn om dit vak met passie te geven?
En dan vrees ik dat de gevoelens tegenover hen die wel geloven nog zodanig zouden kunnen veranderen dat onze samenleving verder polariseert. Als de school uitstraalt dat geloof onbelangrijk is, zullen jongeren die boodschap overnemen. En gelovige jongeren zullen zich nog meer buitenstaanders voelen dan ze nu al doen. Terwijl geloof net verbindend moet zijn. Terwijl religies op hun best bruggen bouwen tussen mensen, gemeenschappen creëren, zorg dragen voor de kwetsbaren.
Een gemiste kans
Ik heb alle begrip voor het feit dat men een oplossing zoekt voor een moeilijk dossier. De diversiteit aan levensbeschouwingen in onze samenleving is toegenomen, en het oude model van gescheiden zuilen past niet meer bij de realiteit. Er zijn praktische problemen met het organiseren van verschillende godsdienstlessen naast elkaar. Er zijn financiële overwegingen. Er zijn ideologische discussies. Ik begrijp dat allemaal.
Maar men gaat te makkelijk voorbij aan wat geloof echt kan betekenen. In de haast om een politiek compromis te vinden, vergeet men dat het hier gaat om de vorming van jonge mensen, om de overdracht van waarden, om de grote vragen van het leven. Dat verdient meer dan een pragmatische oplossing die vooral gericht is op het minimaliseren van problemen.
Misschien moet men eerder kijken naar de manier waarop dit vak gegeven wordt en hoe men er een positief verhaal van kan maken. Hoe kunnen we godsdienstonderwijs zo vormgeven dat het relevant is voor alle jongeren, ook voor hen die niet gelovig zijn opgevoed? Hoe kunnen we de rijkdom van religieuze tradities toegankelijk maken zonder die tradities te reduceren tot folkloristische curiositeiten? Hoe kunnen we ruimte maken voor echte ontmoeting, voor gesprek, voor verwondering?
In plaats daarvan kiezen we voor een vak dat per ongeluk in de weg moet blijven zitten en waarop geld kan bespaard worden. Dat is de verkeerde benadering. Dat is een gemiste kans.
Een oproep tot bezinning
Ik denk dat de veranderingen die nu worden doorgevoerd een gemiste kans zijn. Een kans om jongeren werkelijk te vormen, om hen in contact te brengen met de rijkdom van religieuze tradities, om hen waarden mee te geven die hen dragen doorheen het leven. Een kans om bruggen te bouwen tussen verschillende levensbeschouwingen, om begrip te kweken, om samen te zoeken naar antwoorden op de grote vragen.
In plaats daarvan kiezen we voor het minimale, het neutrale, het veilige. We kiezen voor een onderwijs dat vooral praktisch moet zijn, dat meetbare resultaten moet opleveren, dat past in een economisch model van efficiëntie en rendement. En daarmee verarmen we het onderwijs én de samenleving.
Ik hoop dat beleidsmakers, leerkrachten, ouders en alle betrokkenen zich nog eens bezinnen over wat we hier aan het doen zijn. Niet om terug te keren naar een verleden dat voorbij is, maar om een toekomst te bouwen waarin ruimte blijft voor zingeving, voor waarden, voor de grote vragen van het leven. Onze jongeren verdienen dat. Onze samenleving heeft het nodig.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


