Drie maanden geleden zette ik een website online waar mensen een figuurtje van Jezus konden aanvragen. Gratis, geen voorwaarden, gewoon: als je het wil hebben, je krijgt het. Ik verwachtte er misschien een paar honderd. Het werden er zevenduizend. Zevenduizend Vlamingen en Nederlanders die de moeite deden om hun adres achter te laten om een klein beeldje van Christus in huis te hebben. En bij veel van die aanvragen kwam een verhaal mee. Waarom ze het wilden. Voor wie. Wat het voor hen betekende.
Die cijfers tel je in geen enkel kerkelijk jaarrapport.
Deze week schreef Niels De Nutte in De Morgen een opiniestuk met de titel ‘De media laten na het aantal dopen te vergelijken met het cijfer van de ontdopingen, ook door volwassenen.‘ Hij is onderzoeker aan de VUB en werkt bij de studiedienst van deMens.nu, de organisatie van de georganiseerde vrijzinnigheid. Zijn argument is statistisch netjes opgebouwd: 689 volwassen dopelingen in België vorig jaar, dat is 0,01 procent van de bevolking. Tegenover 14.000 ontdopingen in het Godvergeten-jaar 2023. Dus, concludeert hij, van een religieuze revival kan je onmogelijk spreken. De media verwarren ‘in de zoektocht van mensen naar zingeving beweging met richting.’
Het is een goed stuk. Ik meen dat. Er zit een journalistieke kritiek in die hout snijdt — als een redactie kopt ‘steeds meer volwassenen laten zich dopen’ zonder het grotere uitstroomcijfer te vermelden, is dat onevenwichtig. En hij heeft gelijk dat 689 mensen op elf miljoen geen maatschappelijke omwenteling is.
En toch klopt zijn conclusie niet. Niet omdat zijn cijfers fout zijn, maar omdat hij de verkeerde dingen meet.
De thermometer in de verkeerde kamer
Religiositeit meten door hoeveel procent van de bevolking op zondag in de kerkbanken zit, is als de temperatuur van een huis meten door de buitenthermometer af te lezen. Het geeft je een getal, maar het zegt niet wat je denkt dat het zegt. De vraag is niet hoeveel mensen in een samenleving religieus zijn. De vraag is wat die religiositeit betekent voor wie ze draagt, en welke beweging ze genereert in de cultuur eromheen.
Ik heb altijd een zwak gehad voor het beeld van het zuurdesem. Een klein beetje gist beweegt een heel deeg. Niemand meet of er genoeg brood is door te tellen hoeveel gistcellen er zijn. Je kijkt of het deeg rijst.
De Nutte kijkt naar het aantal cellen.
Wat hij over het hoofd ziet is een verschuiving die geen enkele statistiek oppikt, maar die iedereen kan opmerken die met open ogen door een Vlaamse gemeenschap loopt: wie vandaag gelooft, kiest daar bewust voor. En dat is een breuk met hoe het hier decennialang is geweest.
De kost van de keuze is omgedraaid
De overgrootoudergeneratie ging naar de kerk omdat iedereen dat deed. Niet geloven was een uitzondering die uitleg behoefde. De grootoudergeneratie ging vaak nog uit gewoonte en sociale verankering, al was de overtuiging al aan het eroderen. De oudergeneratie — de mensen die vandaag zelf kinderen opvoeden — gaat in de meeste gezinnen hoogstens op de grote dagen nog eens binnen. Een uitvaart, soms een kerstnacht, misschien een communie van een nichtje. Voor het overige is de band met een kerkgemeenschap gewoonweg verdwenen.
Voor wie vandaag jong is, is er dus geen sociale rugwind meer richting geloof. Integendeel. De wind staat recht in het gezicht. De sociale kost is gekanteld. Vijftig jaar geleden moest je moed hebben om openlijk atheïst te zijn in een dorp. Nu moet je moed hebben om openlijk gelovig te zijn op een Vlaamse werkvloer.
Die omkering is relevant. Want ze betekent dat elke persoon die zich vandaag laat dopen — jong, volwassen, uit welke achtergrond ook — dat doet zonder sociale beloning. Integendeel. Hij of zij betaalt er iets voor. De opgetrokken wenkbrauw van de schoonfamilie. De collega die niet meer weet wat te zeggen. Het gevoel dat je jezelf uit de normaalheid hebt geplaatst.
Dat maakt één volwassen doop in 2026 kwalitatief niet hetzelfde als één volwassen doop in 1976. Ze wegen verschillend. In 1976 kon iemand zich laten dopen omdat de schoonouders het wilden, omdat het paste bij het plattelandsleven, omdat iedereen deed alsof. Vandaag kan dat niet meer. Wie zich nu laat dopen, heeft daar een innerlijk parcours achter. Meestal jaren van twijfel, lezen, praten, en uiteindelijk een ‘ja’ uitspreken tegen een wereld die op zijn best vreemd opkijkt en op zijn slechtst actief sceptisch reageert.
En dat is precies wat de cijfers van De Nutte niet vangen. Hij legt 689 dopelingen van 2025 naast 14.000 ontdopingen van 2023 en zegt: zie je wel, netto is er krimp. Maar die 14.000 zijn bijna allemaal mensen die al lang geen praktiserend gelovige meer waren. Hun uitschrijving is een administratieve correctie van iets dat feitelijk al bestond. Niemand van die 14.000 gaat morgen minder naar de kerk dan gisteren, want ze gingen al niet. De ontdoping registreert wat al weg was.
De 689 dopelingen daarentegen registreren iets wat er niet was en nu wel is. Zij komen toe aan een gemeenschap. Zij bewegen iets in beweging. Ze bewegen zichzelf, hun gezin, hun vriendenkring, vaak hun ouders die op latere leeftijd weer vragen beginnen te stellen.
Dat is geen statistische gelijkheid. Dat is een verschil in aggregatietoestand. Vloeibaar water en waterdamp hebben dezelfde chemische formule, maar je bouwt er geen huis mee op dezelfde manier.
Zeven duizend popjes
Terug naar de zevenduizend figuurtjes. Die actie bevestigde voor mij wat ik eigenlijk al langer vermoedde: onder de oppervlakte van de officiële cijfers beweegt er meer dan je aan die oppervlakte ziet. Maar ik moet eerlijk zijn over wie die zeven duizend mensen zijn, want daar zit nuance die ik niet mag wegpoetsen — anders maak ik dezelfde fout die ik De Nutte verwijt.
Het is níet zo dat die zeven duizend allemaal nieuwe mensen zijn, mensen die nooit eerder iets met geloof hadden. Uit de verhalen die binnenkwamen blijkt een bont gezelschap. Een deel zijn mensen die zelf praktiserend zijn en het figuurtje wilden voor een kind, een petekind, een vriend. Een deel zijn cultuurchristenen die in een moeilijke periode zaten en iets tastbaars zochten. Een deel zijn mensen zonder kerkelijke band maar met een onderliggend religieus gevoel dat ze niet altijd zelf benoemd kregen. En een deel, ja, zijn mensen die expliciet zeiden dat ze met geloof niets hadden en toch de moeite deden om het figuurtje aan te vragen — voor iemand anders, uit nieuwsgierigheid, omdat ze iets voelden wat ze niet zelf wisten te plaatsen.
De juiste lezing van die zeven duizend is dus niet ‘er zijn zeven duizend mensen die zich bekeerd hebben.’ Dat zou absurd zijn en niemand zou mij geloven. De juiste lezing is: er zijn in Vlaanderen en Nederland minstens zeven duizend mensen die bereid waren één concrete, zichtbare, niet-anonieme handeling te stellen rond Christus — hun adres achterlaten, een klein beeldje in huis halen. Dat is een signaal over de staat van latente religiositeit in dit land. Die staat is niet nul. Ook niet in de gezinnen waar de officiële kerkelijke band al een generatie lang verbroken is.
Dat is trouwens ook wat De Nuttes methode niet oppikt. Hij meet alleen de formele overgang — doop, ontdoping — en alles daartussen is voor hem ruis. Maar veel van wat er in een samenleving religieus gebeurt, gebeurt juist tussen die formele grenzen in. Mensen die bidden zonder naar de kerk te gaan. Mensen die een kind een Bijbelverhaal vertellen zonder zelf belijdend te zijn. Mensen die een figuurtje aanvragen.
De wijk die bijna verdubbelde
Laat me het nog persoonlijker maken. Ik ben bisschop van een wijk in mijn kerk. Dat is, voor wie niet vertrouwd is met de structuur van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, het lokale equivalent van een pastoor met een kleine gemeenschap als zorggebied. Ik zie week na week wie er zit en wie er bijkomt. Ik ken hun namen, hun verhalen, de weg die ze hebben afgelegd.
Op anderhalf jaar tijd is onze wijk bijna verdubbeld.
Dat is anekdotisch, ik weet het. Eén wijk is geen Vlaanderen. Ik ga die verdubbeling niet extrapoleren alsof heel België ineens in beweging is, want dat is precies de fout die De Nutte de media terecht aanwrijft. Maar de andere kant van dezelfde fout is het omgekeerde: op basis van een macro-cijfer beweren dat er nergens beweging is. Als één gemeenschap in achttien maanden bijna in omvang verdubbelt, is de stelling ‘er is geen groei’ statistisch wellicht verdedigbaar op bevolkingsniveau, maar ze is fenomenologisch onjuist. Ergens groeit iets. En als het bij ons groeit, groeit het waarschijnlijk ook elders, op plekken die in geen enkel rapport voorkomen omdat ze te klein zijn om de macrostatistiek te bewegen.
Bovendien: wie zijn die nieuwe mensen? Dat is het interessantste aan de observatie. Het zijn niet teruggekeerde cultuurchristenen die hun jeugd hervinden. Het zijn mensen van wie de meerderheid nooit eerder een voet in een kerk heeft gezet. Jongvolwassenen die via een podcast binnenvielen. Een stel van middelbare leeftijd dat de zoektocht naar zingeving in zoveel andere dingen had geprobeerd en uiteindelijk hier uitkwam. Iemand die werd uitgenodigd door een collega en bleef komen. Geen folklore, geen gewoonte. Allemaal actieve beslissingen in een context die niet helpt.
Niet één kerk, maar meerdere
Nog iets wat De Nuttes cijfers niet laten zien: er is niet ‘de kerk’ in Vlaanderen, er zijn meerdere kerken, en ze zitten in wezenlijk verschillende bewegingen. Wie doop- en ontdopingscijfers van de Rooms-Katholieke Kerk optelt en er een algemene conclusie aan hangt over de staat van het christendom in België, mist daarmee de helft van het plaatje.
De Rooms-Katholieke Kerk is hier historisch het massa-instituut geweest. Die rol is ze aan het verliezen, en de ontdopingscijfers weerspiegelen vooral dat verlies. Maar wat daarmee gepaard gaat is iets wat in haar eigen communicatie vaak onderbelicht blijft: ze draagt een loden last mee uit het verleden. De misbruikschandalen, de zwijgcultuur, de manier waarop in instellingen met kwetsbare mensen is omgesprongen — dat alles zit nog in het collectieve geheugen en schrikt veel mensen af die anders misschien wel de stap zouden zetten. Veel Vlamingen kennen iemand die een verhaal heeft, of dragen dat verhaal zelf mee. Godvergeten was niet toevallig een aardverschuiving. Zonder die last zouden de terugkeercijfers naar de Rooms-Katholieke Kerk waarschijnlijk aanzienlijk hoger liggen.
Wat je wél ziet is dat die Kerk, zelf ook, stilaan iets terugvindt. Niet als volkskerk — die rol is voorbij — maar als gemeenschap voor wie bewust kiest. Paus Franciscus is daar een katalysator in geweest, de volwassendoopcijfers wijzen erop, de nieuwe generatie katholieke influencers spreekt een taal die niet meer defensief klinkt. Het zal nog jaren vragen voor de balans kantelt, en mogelijk kantelt ze nooit helemaal in de richting waar ze ooit stond. Maar er beweegt iets.
Tegelijk zijn het vooral de andere christelijke kerken die vandaag een aantrekkelijkheid uitstralen die juist niet geremd wordt door dat historische gewicht. Evangelische gemeenschappen, protestantse kerken, orthodoxe parochies, herstellingskerken zoals de mijne — die groeien in Vlaanderen, elk op hun eigen schaal en in hun eigen tempo, maar ze groeien. Niet omdat ze beter zijn dan hun katholieke zuster — daar pas ik voor — maar omdat ze de drempel niet delen die de Rooms-Katholieke Kerk wel meetorst. Mensen die op zoek gaan, komen bij hen vaak sneller tot een ‘ja’ omdat er geen eerst-nog-door-te-werken-verleden tussen staat.
Dat maakt het totaalbeeld gelaagder dan De Nuttes methode toelaat. Hij kijkt naar de ene statistiek die het meest zichtbaar is — de katholieke — en extrapoleert die naar ‘religie in Vlaanderen’. Maar religie in Vlaanderen is niet gelijk aan de Rooms-Katholieke Kerk in Vlaanderen. Er is een breder christelijk landschap in beweging en er is meer dan het christendom alleen, en dat landschap groeit bij sommigen, krimpt bij anderen, en transformeert bij iedereen.
Beweging en richting
De Nutte schrijft dat wie spreekt van een terugkeer van religie ‘in de zoektocht van mensen naar zingeving beweging met richting verwart.’ Het is een elegant zinnetje en ik begrijp wat hij bedoelt. Dat mensen zoeken, betekent niet automatisch dat ze bij religie uitkomen.
Maar hij maakt zijn eigen fout. Hij verwart afwezigheid van massa met afwezigheid van richting. Omdat de richting niet door een grote groep wordt gedragen, concludeert hij dat er geen richting is. Dat is een denkfout. Richtingen worden zelden door grote groepen ingezet. Ze worden ingezet door kleine groepen die consequent dezelfde kant uit bewegen, terwijl de grote massa in verwarring rondjes draait.
In deze samenleving zoekt een grote meerderheid op honderd manieren naar zingeving, en De Nutte heeft gelijk dat die zoektocht niet vanzelf bij religie eindigt. Voor veel mensen eindigt hij in therapie, in yoga, in mindfulness, in politiek activisme, in bewust consuminderen, in niets in het bijzonder. Die beweging heeft inderdaad geen eenduidige richting.
Maar er is een deelbeweging binnen die brede zoektocht die wél een richting heeft, en die richting is naar het christendom, naar een bewust geleefd geloof, naar gemeenschap en verbondenheid met het transcendente. Die deelbeweging is niet groot genoeg om het algemene plaatje te kantelen. Maar ze bestaat, ze groeit, en ze bestaat uit mensen die stuk voor stuk een bewuste en kostelijke keuze hebben gemaakt.
Wat daar wérkelijk uit volgt
Ik eindig met wat ik denk dat hieruit volgt. Niet dat de cijfers van De Nutte fout zijn — ze zijn correct. Niet dat Vlaanderen gaat hergelovig worden in de komende tien jaar — dat zou me zeer verbazen. De Rooms-Katholieke Kerk in België blijft nominaal krimpen als massa-instituut, en dat proces is nog niet ten einde.
Wat wél volgt is dit: de religie die overblijft wordt kwalitatief anders dan de religie die verdwijnt. Ze wordt niet breder gedragen, maar dieper. Niet door meer mensen, maar door mensen die er meer van willen weten, meer in willen investeren, er meer voor willen opgeven. Dat is geen revival in de triomfalistische betekenis van ‘we zijn terug’. Het is iets ingetogener en belangrijker: een transformatie waarbij cultureel lidmaatschap wegvalt en bewust lidmaatschap naar voren komt.
Voor wie alleen naar procenten kijkt, ziet dat er uit als krimp. Voor wie in de gemeenschappen zelf staat, ziet dat er uit als een bescheiden maar reële opleving. Beiden hebben gelijk, omdat ze naar verschillende dingen kijken.
De zevenduizend popjes zullen niet allemaal tot zeven duizend gelovigen leiden, dat weet ik ook. Misschien wordt het er honderd, misschien tien, maar niet nul want ik ken al mensen die daardoor in de doopvont zijn gestapt. Het doet er minder toe dan het feit dát ze werden aangevraagd. Dat is een signaal dat onder de radar van De Nuttes statistieken iets beweegt dat hij niet kan meten.
En de wijk die bijna verdubbelt, zal niet heel Vlaanderen veranderen. Maar ze verandert wel de zondagen van enkele tientallen mensen, en die verandering straalt uit naar hun gezinnen, hun werk, hun buren. Dat is niet nul.
Wie dat alles optelt en nog steeds zegt ‘er is niets aan de hand’, meet de verkeerde kamer. De thermometer staat buiten, terwijl binnen het vuur langzaam wordt aangewakkerd.
Die gloed ziet geen enkele krant.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.





