‘Ik geloof niet echt in God, maar ik geloof wel in iets.’
Kort samengevat
‘Ik geloof wel in iets’ klinkt onschuldig, maar is vooral comfortabel — een vaag universum stelt geen eisen, een persoonlijke God wel. We verwarren in Vlaanderen bovendien vaak ‘wil ik nog iets met de kerk te maken hebben’ met ‘bestaat God’, terwijl dat twee andere vragen zijn. ‘Iets’ is een prima beginpunt, zolang het geen eindpunt wordt waarachter je je verstopt om nooit door te vragen.
Je hoort mensen dat verrassend vaak zeggen. Ik maakte er deze week nog een kort filmpje over, want ik vind het eigenlijk een fascinerende uitspraak. Wat is dat ‘iets’ dan precies? Een kracht? Een bewustzijn? Iets dat achter het universum zit? Iets dat ervoor zorgt dat ons leven betekenis heeft?
Blijkbaar voelen heel wat mensen intuïtief aan dat de werkelijkheid groter is dan wat we kunnen zien en meten. Dat bewijst natuurlijk niets. Een gevoel is geen bewijs, en je kan datzelfde verlangen evengoed verklaren als een handig evolutionair trucje: iets dat ons hielp overleven, zonder dat er ook maar iets reëels aan hoeft te beantwoorden. Dat is een eerlijke tegenwerping, en ik ga ze hier niet proberen te weerleggen. Maar ze maakt de vraag niet oninteressant. Ze maakt ze net scherper. Want als zo veel mensen, in zo veel tijden en culturen, dat verlangen naar iets hogers blijven voelen, dan mag je op zijn minst de vraag stellen waar dat naartoe wijst. Misschien nergens. Maar dat weet je pas als je de vraag ook echt stelt.
En hoe langer ik erover nadenk, hoe interessanter ik een andere vraag vind.
Waarom houden we het zo graag bij ‘iets’?
Iets is behoorlijk comfortabel
Er zit een groot voordeel aan geloven in iets. Dat iets stelt weinig eisen.
Een vaag universum heeft zelden een mening over hoe ik mijn leven leid. Een hogere kracht spreekt mij niet tegen. ‘Er moet toch iets zijn’ laat mij toe om ruimte te maken voor spiritualiteit, voor betekenis, misschien zelfs voor een leven na de dood, zonder dat ik meteen hoef na te denken over wat daaruit zou kunnen volgen.
Een persoonlijke God is ingewikkelder.
Als God werkelijk bestaat, en als Hij meer is dan een naam die wij geven aan een vaag gevoel van verwondering, dan komen er ongemakkelijke vervolgvragen. Wie is Hij? Kunnen we Hem kennen? Heeft Hij iets met ons leven te maken? Verwacht Hij iets van ons? Bestaat er zoiets als goed en kwaad dat niet gewoon bepaald wordt door wat ik daar zelf toevallig van vind?
En vooral: wat als God het op sommige punten niet met mij eens is?
Daar wordt geloof plots een stuk minder vrijblijvend.
Nu moet ik eerlijk zijn: dit argument werkt in twee richtingen, en dat weet ik. Je zou evengoed kunnen zeggen dat mensen juist wél in een persoonlijke God geloven omdat dat troostrijk is: een Vader die naar je omkijkt, een uiteindelijke rechtvaardigheid, een leven dat niet zomaar ophoudt. Als ‘comfortabel’ verdacht is, dan is het dat voor iedereen, ook voor mij. Ik denk niet dat je daaruit kan afleiden dat geloof daarom onwaar is, evenmin als je uit het feit dat ‘iets’ comfortabel is kan afleiden dat er niets bestaat. Comfort zegt iets over waarom we een overtuiging aantrekkelijk vinden. Het zegt niets over of ze klopt. Maar het is wel een reden om extra kritisch naar je eigen geloof te kijken, niet enkel naar dat van een ander.
Misschien geloven we allemaal het liefst in een God die het zoveel mogelijk met ons eens is.
En met ‘we’ bedoel ik ook gelovige mensen. Ook binnen mijn eigen kerk zie ik die neiging. Ik herken ze bij mezelf. Het is ontzettend gemakkelijk om vooral die delen van geloof belangrijk te vinden die goed aansluiten bij hoe je toch al in het leven staat, en veel minder enthousiast te zijn wanneer geloof vraagt om iets in jezelf te veranderen.
Dat is een van de ongemakkelijkste eigenschappen van echt geloof.
Als mijn geloof werkelijk naar iets buiten mezelf verwijst, dan kan het niet uitsluitend een bevestiging zijn van wat ik zelf al dacht. Anders geloof ik uiteindelijk vooral in mezelf.
Een geloof dat niets vraagt
Dat betekent niet dat een geloof waardevoller wordt naarmate het moeilijker of strenger is.
Religies en religieuze instellingen hebben doorheen de geschiedenis mensen regels opgelegd die helemaal niet noodzakelijk van God kwamen. Ze hebben macht misbruikt, mensen klein gehouden en soms schade aangericht. Gehoorzaamheid is op zichzelf geen bewijs van waarheid. Een kerk die veel van haar leden vraagt, heeft daarom nog geen groter gelijk dan een kerk die weinig vraagt.
Maar het omgekeerde lijkt mij evenmin vanzelfsprekend.
Waarom zouden we ervan uitgaan dat een waar geloof per definitie niets van ons mag vragen?
Dat vind ik een merkwaardige moderne verwachting. We vinden het volkomen normaal dat alles wat belangrijk is inspanning vraagt. Een goed huwelijk vraagt compromissen. Ouderschap vraagt offers. Vriendschap vraagt dat je soms iets doet waar je zelf niet meteen zin in hebt. Wie een marathon wil lopen, zal moeten trainen wanneer de zetel aantrekkelijker lijkt.
Maar wanneer het over geloof gaat, ontstaat soms de verwachting dat het vooral comfortabel moet blijven.
Ik geloof graag, zolang mijn geloof mij niet te veel hindert in wat ik toch al van plan was.
Dan vraag ik me af wat geloof nog betekent. Niet omdat God volgens mij zit te wachten op mensen die zichzelf zoveel mogelijk dingen ontzeggen. Zo zie ik God niet. Maar wel omdat iedere echte relatie iets met een mens doet. Liefde verandert ons. Ouderschap verandert ons. Een goede vriendschap verandert ons. Als God echt bestaat, waarom zou een relatie met Hem dan de enige zijn die ons volledig ongemoeid laat?
Dat bewijst nog niet dat Hij bestaat. Maar het zegt wel iets over hoe je Hem zou herkennen als Hij bestond: niet aan een God die precies bevestigt wat je al dacht.
Misschien hebben we niet zozeer een probleem met God
In Vlaanderen komt daar nog iets bij.
Wanneer we over geloof spreken, spreken we niet in een historisch vacuüm. Voor veel mensen is religie bijna automatisch verbonden met de katholieke kerk. En die kerk draagt zwarte bladzijden mee.
Dat hoeven we niet kleiner te maken dan het is.
Machtsmisbruik, seksueel misbruik, hypocrisie, sociale controle en een cultuur waarin religie soms meer met verplichting dan met geloof te maken had: het heeft diepe sporen nagelaten. Niet alleen bij mensen die het persoonlijk hebben meegemaakt, maar ook in ons collectieve geheugen.
Ik begrijp dus best waarom iemand terughoudend wordt wanneer hij het woord ‘kerk’ hoort.
En ik zou als lid van een andere kerk bijzonder voorzichtig zijn om daar zelfgenoegzaam op te reageren. Religieuze instellingen bestaan uit mensen. Mensen kunnen fouten maken, macht verkeerd gebruiken en soms verschrikkelijke dingen doen. Geen enkele geloofsgemeenschap krijgt automatisch een moreel vrijgeleide omdat ze zegt namens God te spreken.
Maar toch blijft er voor mij een belangrijke vraag over.
Als een religieuze instelling gefaald heeft, betekent dat dan dat de vraag naar God zelf niet meer gesteld hoeft te worden?
Ik denk het niet. Misschien zijn we in Vlaanderen soms twee vragen met elkaar gaan vereenzelvigen.
‘Wil ik nog iets te maken hebben met de kerk zoals ik die gekend heb?’
En:
‘Bestaat God?’
Dat zijn niet dezelfde vragen, ook al lopen ze historisch door elkaar. Je kan een heel goed antwoord hebben op de eerste zonder de tweede ooit werkelijk onderzocht te hebben.
Wat bedoel je eigenlijk met ‘iets’?
Daarom vind ik die uitspraak ‘ik geloof wel in iets’ zo boeiend.
Ik heb niet de neiging om iemand die dat zegt onmiddellijk te corrigeren. Integendeel. Mijn eerste reactie is nieuwsgierigheid.
Vertel eens. Wat is dat iets?
Denk je dat het universum een betekenis heeft? Denk je dat bewustzijn meer is dan een toevallig neveneffect van onze hersenen? Denk je dat goed en kwaad ergens werkelijk op gebaseerd zijn? Denk je dat er iets van ons overblijft wanneer ons lichaam sterft? Denk je dat wat achter de werkelijkheid zit, persoonlijk zou kunnen zijn?
Hoe verder je zo’n gesprek voert, hoe merkwaardiger dat woordje ‘iets’ wordt. Want meestal blijkt het niet helemaal leeg te zijn.
Mensen hebben intuïties. Ze voelen aan dat liefde meer betekent dan chemische reacties. Dat rechtvaardigheid niet alleen een afspraak tussen mensen is. Dat bewustzijn vreemd is. Dat het universum iets oproept wat moeilijk volledig in materiële termen te vatten is. Dat de dood misschien niet het laatste woord heeft.
Opnieuw: niets daarvan bewijst God. Maar het zijn wel vragen. En vragen mogen onderzocht worden.
Niet meteen toetreden
Misschien is dat ook iets wat wij als gelovigen soms verkeerd aanpakken.
Wanneer iemand enige interesse toont in geloof, willen we te snel bij het antwoord uitkomen. Bij de Bijbel. Bij Jezus Christus. Bij de kerk. Bij een uitnodiging.
Begrijp me niet verkeerd: ik geloof in die dingen. Ik ben lid van een kerk omdat ik werkelijk geloof dat ik daar iets heb gevonden wat waar en waardevol is. Natuurlijk deel ik dat graag.
Maar soms moet je iemand ook gewoon de ruimte geven om te zoeken. Zonder dat er meteen een doel achter zit.
Een gesprek over God hoeft niet te eindigen met een doopdatum om een goed gesprek te zijn.
Misschien begint het gewoon met iemand die zegt: ‘Ik geloof wel in iets.’ En iemand anders die antwoordt: ‘Dat vind ik interessant. Wat bedoel je daarmee?’
Daar zou ik gerust een hele avond over kunnen praten. Niet om iemand in een hoek te redeneren. Niet om een intellectueel spelletje te winnen. Maar omdat ik werkelijk geïnteresseerd ben in wat mensen geloven en waarom, en omdat ik denk dat we in onze samenleving soms veel te snel gestopt zijn met dat soort gesprekken.
Religie is privé geworden. God is iets waar je liever niet over praat. En wie toch gelooft, moet het vooral niet te ernstig nemen.
Misschien missen we daardoor iets.
Misschien is ‘iets’ pas het begin
Ik denk steeds vaker dat er niets verkeerd is met de uitspraak ‘ik geloof wel in iets’. Misschien is het zelfs een uitstekend beginpunt.
Het wordt alleen jammer wanneer we er een eindpunt van maken. Wanneer ‘iets’ eigenlijk betekent: ik vermoed dat er meer is, maar ik wil liever niet te nauwkeurig kijken wat dat zou kunnen zijn. Want stel dat ik ontdek dat het iets van mij vraagt. Stel dat mijn wereldbeeld moet veranderen. Stel dat ik mijn idee over God moet bijstellen. Of mijn idee over mezelf.
Maar precies daar begint geloof voor mij interessant te worden. Niet wanneer het al mijn ideeën bevestigt. Niet wanneer het mij uitsluitend geruststelt. Maar wanneer ik bereid ben te zeggen: als er werkelijk iets is, dan wil ik weten wat. Ook als het antwoord mij verrast. Ook als het mij tegenspreekt. Ook als ik daardoor ergens anders uitkom dan waar ik vandaag sta.
Misschien is ‘ik geloof wel in iets’ dus helemaal geen zwak geloof. Misschien is het gewoon een eerste zin.
En dan komt de interessante vraag: durven we de tweede ook nog uit te spreken?
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


Dank je voor de leuke attentie can Jezus. Ik heb mijn zoon er eentje gegeven, mijn zus en mama. Nu heb nog 1tje voor mijn dochter. Ik heb ze enkele daagjes zelf gehouden om ze zo verder te geven. Hun gezichten eerst van verbazing en dan de smile.
[…] nog iets in. Opvallend veel mensen die ik spreek geloven wel degelijk in ‘iets’, maar durven dat niet meer benoemen als een persoonlijke God. We hebben maatschappelijk geleerd dat een vage overtuiging sociaal veiliger is dan een concrete […]