Kort samengevat
Een nieuw UGent-onderzoek toont dat religieuze én uitgesproken areligieuze sollicitanten minder kans maken op een jobgesprek — niet omdat ze slechter beoordeeld worden, maar omdat recruiters vrezen dat collega’s en klanten liever niet met hen samenwerken. Als ondernemer en bisschop herken ik dat patroon uit eigen ervaring, en pleit ik ervoor om religie eindelijk even ernstig te nemen als andere discriminatiegronden.
Ik schrijf hier zelden over mijn werk als ondernemer en mijn rol als bisschop in één adem. Meestal houd ik dat bewust gescheiden. Maar deze week las ik een onderzoek dat me dwingt om dat even niet te doen.
Een gloednieuw UGent-onderzoek geeft het antwoord op een vraag die ik al jaren op mijn eigen huid voel: christelijke kandidaten maken 7,2 procentpunt minder kans op een uitnodiging voor een jobgesprek dan kandidaten van wie geen religieuze overtuiging kan worden afgeleid. Voor atheïsten is dat 6,4 procentpunt, voor moslims 4,8. Wie vrijwilligerswerk doet bij een kerk of moskee, verliest zelfs 6,8 procentpunt tegenover wie dat bij een buurtvereniging doet. De onderzoekers — Louise Devos, Louis Lippens en Stijn Baert (UGent) — lieten 177 professionele recruiters telkens vier fictieve kandidaatsprofielen beoordelen, goed voor 708 beoordelingen in totaal. Zorgvuldig werk, met een onaangenaam resultaat.
‘Hoe kan je christen en zakenman tegelijk zijn?’
Ik herken het patroon uit eigen ervaring, al jaren. Vertel ik in een zakelijke context dat ik een diepgelovig christen ben, dan volgt bijna altijd een feller antwoord dan verwacht. Soms nieuwsgierig, vaker ongemakkelijk, af en toe ronduit vijandig.
Ooit interviewde een journalist me over mijn bedrijf, en op een bepaald moment stelde hij de vraag onomwonden: hoe kon ik christen en zakenman tegelijk zijn? Als christen werd van mij blijkbaar verwacht dat ik altijd eerlijk was. Ik heb daar toen relatief luchtig op geantwoord, maar de vraag bleef nazinderen. Want wat zat er eigenlijk verstopt in die vraag? De onuitgesproken veronderstelling dat zakenmensen dat, in tegenstelling tot mij, over het algemeen niet zijn. Dat een christen die ook nog ondernemer is, ergens een contradictie in zich draagt die moet worden uitgelegd. Ik heb er nadien vaak aan teruggedacht, en ik denk dat die ene vraag meer zegt over hoe wij naar geloof én naar ondernemerschap kijken dan een heel onderzoeksrapport zou kunnen.
Een blinde vlek in ons diversiteitsbeleid
Het meest opvallende in het UGent-onderzoek is dat het niemand spaart. Niet alleen christenen en moslims maken minder kans, ook uitgesproken atheïsten worden afgestraft. Het gaat dus niet om welke overtuiging je hebt — of het ontbreken ervan. Het gaat om het feit dat je er überhaupt een herkenbare identiteit aan geeft. Niet geloof op zich is dus het taboe — dat chargeer ik bewust in de titel. Een uitgesproken levensovertuiging, van welke kleur dan ook, is een van de laatste dingen waarvan we zeggen dat iedereen er vrij in is, terwijl we ons er in de praktijk zichtbaar ongemakkelijk bij voelen.
Lippens noemt religie een onderbelichte discriminatiegrond, in de schaduw van etnische afkomst. Ik zou nog een stap verder gaan. Bedrijven die vandaag hameren op inclusie en diversiteit, besteden nauwelijks aandacht aan deze categorie in hun beleid. Etnische afkomst staat op elke diversiteitsagenda. Religie staat er zelden op, hoewel ze wettelijk exact dezelfde bescherming geniet. Inclusie wordt vreemd genoeg minder comfortabel zodra iemand niet alleen anders ís, maar ook iets gelooft.
Waarom die stilte? Omdat het probleem, volgens de onderzoekers zelf, niet bij de kandidaat ligt. Openlijk christelijke en islamitische kandidaten werden zelfs als eerlijker en aangenamer beoordeeld — precies de eigenschappen die je in een collega zou willen. En toch maakten ze minder kans, omdat recruiters verwachten dat hún collega’s en klanten liever niet met een gelovige zouden samenwerken. Dat is het eigenlijke, verbluffende inzicht van dit onderzoek: de recruiter denkt vermoedelijk niet ‘ik vertrouw deze kandidaat niet’, maar ‘anderen zullen deze kandidaat wellicht niet lusten’. Het vooroordeel wordt zo uitbesteed aan een fictieve collega of klant — niemand voelt zich persoonlijk vooringenomen, en toch is het resultaat exact dezelfde discriminatie. Vrijwilligerswerk bij een kerk of moskee wordt daardoor niet gelezen als een teken van betrokkenheid — wat het net is — maar als een signaal van afstand tot de meerderheid.
Wat we niet meer kennen, wantrouwen we
Ik vermoed dat die afstand het grootst is bij mensen voor wie religie volledig buiten hun eigen leefwereld is komen te liggen, en dat is niemand zijn schuld in het bijzonder. We hebben geloof als samenleving decennialang zo grondig uit het publieke domein geduwd — van het klaslokaal tot het sollicitatiegesprek — dat we simpelweg niet meer weten hoe we ermee moeten omgaan. Niet met christenen, niet met moslims, en blijkbaar evenmin met atheïsten die hun overtuiging even nadrukkelijk uitdragen. Wat we niet meer kennen, wantrouwen we automatisch.
Vanuit mijn ervaring als bisschop herken ik daar nog iets in. Opvallend veel mensen die ik spreek geloven wel degelijk in ‘iets’, maar durven dat niet meer benoemen als een persoonlijke God. We hebben maatschappelijk geleerd dat een vage overtuiging sociaal veiliger is dan een concrete — en dat geldt blijkbaar niet alleen aan de keukentafel, maar evengoed aan de sollicitatietafel.
Ook media en overheid ontsnappen daar niet aan. Ik heb de indruk dat in Nederland vrijwel elke redactie iemand heeft die religie structureel opvolgt; in Vlaanderen is dat zoeken naar een speld in een hooiberg, tenzij het over een schandaal gaat. Wie nooit over geloof leest behalve wanneer het misgaat, leert vanzelf dat geloof meestal misgaat.
Wederzijds, of het werkt niet
Ik pleit hier niet voor een terugkeer naar de kerkbank op zondag, en al zeker niet voor een maatschappij waarin iedereen hetzelfde moet geloven. Ik pleit voor iets veel bescheidener: behandel religie als een volwaardige discriminatiegrond, zoals we dat voor etnische afkomst al doen — in vacatures, in de praktijktesten die eraan komen, en in het beleid van bedrijven die zich inclusief noemen. Dat werkt trouwens in twee richtingen. Ook van gelovigen mag verwacht worden dat ze voldoende begrip en respect tonen voor wie niet gelooft — enkel wederzijdse communicatie doorbreekt een reflex die al veel te lang ongestoord is blijven bestaan.
Zelf ben ik open over mijn geloof. Mijn medewerkers weten perfect wat dat voor mij betekent, en kunnen getuigen dat het nooit meespeelt in hoe ik naar hén kijk — wel in hoe ik naar mezelf kijk. Ik schreef er ook een boek over, Redelijk gelovig, precies omdat ik denk dat dat gesprek — tussen wie gelooft en wie niet — te weinig gevoerd wordt, en te weinig goed. Uiteindelijk komt het neer op iets simpels: bemin uw naaste als uzelf — ook als die naaste een overtuiging heeft die u niet deelt, of net geen enkele.
Herken jij dat spanningsveld, als gelovige of net niet, op je eigen werkvloer? Ik hoor het graag in de reacties.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


Nee, ik heb altijd veel respect ervaren.