Kort samengevat
De kerken lopen leeg, maar de vragen waarvoor mensen ooit naar de kerk gingen zijn gebleven: wat is een goed leven, hoe ga ik om met schuld, verlies en de dood, en wat mag ik hopen? Wetenschap verklaart hoe de wereld werkt, niet wat ik ermee moet doen. Die blijvende vragen kan je lezen als een menselijke uitvinding of als verwijzing naar een bron buiten onszelf. Ik kies voor het tweede, en leg uit waarom het antwoord van religie bij de vraag past, zonder te pretenderen dat ik het kan bewijzen.
Vorige week zaterdag droeg paus Leo XIV in Parijs, op de Place de la Concorde, de mis op voor naar schatting achthonderdduizend mensen. In het land van de laïcité, waar de scheiding van kerk en staat bijna een burgerlijke religie is geworden, is dat een opmerkelijk beeld. De Genkse politicoloog Fouad Gandoul schreef er een column over onder de titel ‘Frankrijk is nog niet klaar met God‘. Het slot houdt me bezig: “Het wordt steeds moeilijker om geloof af te doen als een restant van onwetendheid dat met elke generatie verder zal verdwijnen.”
Ik denk dat hij daar iets belangrijks aanraakt. En ik wil graag een stap verder gaan dan hij doet.
Een voorspelling die half uitkwam
Sinds de negentiende eeuw verwachtten denkers als Comte, Marx en Freud dat religie zou verdwijnen naarmate mensen meer wisten en vrijer werden. Voor een deel is die voorspelling uitgekomen. Kerken lopen leeg, instellingen hebben veel minder gezag dan vijftig jaar geleden en voor een groeiende groep speelt God in het dagelijks leven nauwelijks nog een rol. Wie dat ontkent, kijkt niet goed om zich heen.
Maar we hebben twee dingen door elkaar gehaald: het verdwijnen van instellingen en het verdwijnen van de vragen waarvoor mensen ooit naar die instellingen gingen. Het eerste is gebeurd. Het tweede niet.
Vragen waar geen laboratorium antwoord op geeft
We blijven ons afvragen wat een goed leven is. Waarom een ander mijn zorg verdient, ook als hij niets kan teruggeven. Hoe ik moet omgaan met schuld, met verlies en uiteindelijk met de dood. Kant, die de mens aanspoorde zelf te denken, vatte het samen in drie vragen. De laatste is de meest hardnekkige: wat mag ik hopen?
Wetenschap vertelt ons steeds beter hoe de wereld in elkaar zit, en dat is een van de indrukwekkendste prestaties van de mensheid. Maar een hersenscan kan veel zeggen over de chemische processen in ons brein bij verliefdheid en niets over de vraag of ik iemand trouw moet blijven. De evolutietheorie kan verklaren waarom mensen soms onbaatzuchtig zijn, maar niet waarom ik mijn eigen belang voor een ander zou móéten opofferen. Dit zijn geen gaten in onze kennis die vanzelf kleiner worden. Het zijn vragen van een andere orde.
Twee manieren om dat te lezen
Waarom blijven die vragen? Je kan op twee manieren antwoorden.
De eerste: de mens heeft religie zelf bedacht om met angst, schuld en verlies om te gaan, en dat doet hij nog steeds, in nieuwe vormen. Het is een eerlijke en verdedigbare lezing, en ik respecteer wie ze kiest.
De tweede: een diep en hardnekkig verlangen verwijst meestal naar iets wat bestaat. Wie honger heeft, zoekt eten, en eten bestaat. Wie dorst heeft, zoekt water. C.S. Lewis bouwde hierop zijn bekende argument: als we een verlangen ervaren dat niets in deze wereld kan stillen, is de meest waarschijnlijke verklaring dat we voor meer gemaakt zijn dan deze wereld. Het verlangen naar betekenis, vergeving en hoop is dan geen toevallig bijproduct, maar een kompasnaald die wijst naar een bron.
Ik kies de tweede lezing. Ik kan haar niet bewijzen, en ik beweer ook niet dat de andere dwaas is. In Redelijk gelovig weeg ik twee verklaringen tegen elkaar af en leg ik uit waarom ik, na dat wikken en wegen, voor geloven kies. Voor mij is het geen sprong in het duister, maar een keuze met open ogen.
Wat religie doet met die vragen
Wat mij overtuigt, is dat het antwoord past bij de vraag. Neem schuld. Informatie lost die niet op. Je hebt een plek nodig waar je kan zeggen wat misliep, iemand die je opnieuw laat beginnen en een gemeenschap die dat bevestigt. Geloof biedt dat. Of rouw: een gebed, een uitvaart, mensen die blijven zitten wanneer iedereen anders naar huis gaat.
Of hoop. Toen ik in 2018 hoorde dat ik als gehandicapte door het leven zou gaan, bad ik om een mirakel. Dat mirakel kwam, maar anders dan ik had verwacht. De problemen verdwenen niet. Ik kreeg de kracht om ze te dragen. Zo’n antwoord kan je niet bedenken, je kan het enkel ontvangen.
Geloof werkt ook als vorming van karakter. Een moreel kompas is pas iets waard als het werkt wanneer het niet uitkomt. De tiende betalen is een concreet voorbeeld: een maandelijks herhaalde oefening tegen hebzucht, die werkt precies omdat ze niet afhangt van mijn stemming. En geboden die van buitenaf lijken te beperken, blijken in de praktijk vaak te bevrijden. Dat vind ik een verrassend en terugkerend patroon.
Daar raakt de gedachte van Ernst-Wolfgang Böckenförde aan, die Gandoul aanhaalt: een liberale staat kan solidariteit organiseren, maar niet voortbrengen. Waar komt het dan vandaan? Voor mij is het antwoord dat geloofsgemeenschappen het elke week opnieuw proberen, met vrijwilligers, met zorg voor eenzamen, vaak ook voor mensen die zelf niet geloven.
Waarom God zich niet opdringt
Een bezwaar ligt voor de hand: als er een God is die ons wil helpen, waarom toont hij zich dan niet duidelijker? Ik heb me dat vaak afgevraagd. Mijn antwoord, dat ik ook in mijn boek uitwerk, is dat bewijs geen liefde afdwingt. Een God die zichzelf onmiskenbaar zou opleggen, zou ons de vrijheid ontnemen om te kiezen. Geloof is daarom geen bewijs maar vertrouwen, en dat vertrouwen kan je toetsen door te leven wat religie voorstelt: bidden, vergeven, delen, en kijken wat het doet met je leven en met je relaties.
Open blijven
Dat betekent niet dat enkel religie dit kan. Humanisten en atheïsten tonen elke dag dat je zonder God diep moreel kan leven. Landen als Denemarken en Zweden bewijzen dat vertrouwen en solidariteit ook in een zeer seculiere samenleving kunnen bloeien. Wie beweert dat mensen God nodig hebben om fatsoenlijk te zijn, doet gelovigen en ongelovigen tekort.
Mijn stelling is een andere: de vragen blijven, en voor mij is religie het meest overtuigende antwoord, omdat ze niet enkel troost biedt maar ook een bron aanwijst. Ik hoef niemand te overtuigen om naar de kerk te komen. Ik vraag enkel dat we ophouden religie uitsluitend te behandelen als een overblijfsel uit een minder verlichte tijd, en dat gelovigen en niet-gelovigen samen durven te praten over wat een goed leven is.
De moderne mens is niet opgehouden religieuze vragen te stellen. Hij is vooral gestopt ze zo te noemen. Misschien is het tijd om ze opnieuw bij hun naam te noemen, en te luisteren naar wat geloof erop antwoordt.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

