Ik heb ‘De monsters van onze tijd‘ van imam en opiniemaker Khalid Benhaddou net uitgelezen, en het bleef nazinderen. Niet omdat ik het oneens was met de grote lijn, integendeel. Zijn uitgangspunt dat we in een overgangstijdperk zitten, tussen twee werelden in, waarbij de grote verhalen zijn afgebrokkeld, dat onderschrijf ik volledig.
Religie, ideologie, het vooruitgangsgeloof: ze hebben allemaal hun vanzelfsprekendheid verloren, en in dat vacuüm groeien de monsters waar hij het over heeft. Fragmentatie, atomisering, de crisis van de waarheid. Hij ontleedt dat scherp en belezen, met een indrukwekkend arsenaal aan denkers die hij naast elkaar zet zonder zich door één ervan te laten opslokken.
Dat maakt het boek rijk. Het maakt je ook af en toe hongerig, want Benhaddou geeft je vaak de analyse zonder de conclusie. Enerzijds dit, anderzijds dat. Maar op de plekken waar hij wél kleur bekent, ben ik hem dankbaar voor die moed.
In zijn vijfde hoofdstuk, over nostalgie, bespreekt hij religie uitgebreid, en eerlijk gezegd doet hij dat daar goed. Hij weegt de positieve kant af tegen de gevaren, zonder op voorhand een kant te kiezen, en die analyse klopt. Daar wil ik hem dus niets kwalijk nemen: het is precies het punt waarop zijn enerzijds-anderzijds-stijl volledig op zijn plaats is, omdat religie inderdaad beide kanten in zich draagt.
De diagnose klopt, de remedie wringt
Waar ik wel met hem breek, is niet die analyse, maar de conclusie die hij er uiteindelijk uit trekt, verderop in het boek, in de epiloog. Daar durft hij wél kleur bekennen, en juist dat waardeer ik, ook al ben ik het er niet mee eens. Benhaddou is imam. Religie heeft in zijn eigen leven een centrale plaats, dat maakt hij overduidelijk in het boek, en hij schrijft zelfs dat hij júist vanuit zijn geloof de noodzaak voelt om bruggen te bouwen en de dialoog aan te gaan. Religie hoort voor hem dus wel degelijk thuis in het publieke leven, als motor voor individueel en collectief engagement. Tot daar volg ik hem volledig.
Maar dan trekt hij een grens. Religie kan volgens hem geen gemeenschappelijke basis zijn voor de samenleving als geheel, omdat dat onvermijdelijk zou betekenen dat één overtuiging boven de andere wordt geplaatst. Vandaar zijn conclusie: het fundament van de samenleving moet bestaan uit waarden die voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht welk geloof of ongeloof je hebt. Geloof mag je persoonlijk aandrijven, maar het bindmiddel van de samenleving zelf moet seculier zijn.
Ik snap die redenering. En ik denk dat hij te snel van de ene optie naar de andere springt.
Meer religies als gedeeld fundament
Want tussen ‘religie als exclusieve basis’ en ‘seculiere waarden als enige gedeelde basis’ zit een derde weg die hij nergens overweegt. Dat is niet minder religie, maar meer religies. Niet één geloof dat de plak zwaait, maar een pluraliteit van religies die elkaar opzoeken, elkaar bevragen, en precies daardoor samen een gedeeld waardekader kunnen dragen dat rijker is dan wat een seculiere gemene deler alleen ooit kan bieden. Verbinding ontstaat niet door verschil weg te poetsen, maar door het in de ogen te kijken.
Dat is voor mij geen vrijblijvende gedachte, maar een diepe overtuiging. Waarheid en goedheid zijn niet het monopolie van één traditie. Andere religies zijn niet louter concurrenten van de mijne, maar dragers van hun eigen fragment van diezelfde waarheid, elk vanuit hun eigen geschiedenis en taal en cultuur gegroeid.
Als dat klopt, dan hoeft religie niet beperkt te blijven tot wat ze voor mij persoonlijk betekent. Dan kunnen die verschillende dragers van waarheid net met elkaar in gesprek treden, en sámen het gedeelde fundament vormen dat Benhaddou zoekt in seculiere waarden alleen.
Lessen uit de gouden eeuw
Nu wil ik Benhaddou geen stroman aandoen. Hij heeft namelijk wel gelijk in wat hij vreest. In hoofdstuk vijf benoemt hij de gevaren van religie eerlijk: het dogma, de wij-tegen-zij-logica, het verlangen naar een geïdealiseerd verleden dat nooit heeft bestaan zoals we het ons herinneren. En in hoofdstuk acht, over integratie, doet hij dat niet vanuit een veilige afstand. Hij benoemt daar zelfs binnen zijn eigen geloofsgemeenschap het salafisme als een reëel gevaar voor de samenleving. Dat vind ik moedig, en dat verdient waardering, ook van mij als buitenstaander van zijn traditie.
Maar uit die terechte kritiek de conclusie puren dat religie hoogstens een persoonlijke motor mag zijn, nooit een gedeeld maatschappelijk fundament, dat is volgens mij de verkeerde conclusie trekken uit een juiste vaststelling. We mogen het gevaar benoemen zonder daarom de verbindende kracht weg te gooien. Laat ons als moderne gelovigen precies díe gevaren onder ogen zien, en religie net daardoor sterker en verbindender maken, in plaats van haar tot het individuele te herleiden.
En het interessante is: Benhaddou levert zelf het bewijsmateriaal voor mijn punt, in datzelfde hoofdstuk acht. Hij verwijst naar de Gouden Eeuw van de islam, van de achtste tot de dertiende eeuw, toen denkers als Averroes en Avicenna erin slaagden om islamitische theologie te verzoenen met de rationele filosofie van de Grieken. Dat was geen toevalstreffer. Dat was een religieuze traditie die haar eigen grenzen durfde te verleggen door in gesprek te gaan met een andere denkwereld, en er sterker uit kwam.
Het christendom heeft precies datzelfde proces doorgemaakt: eeuwenlang worstelen met en uiteindelijk verrijkt worden door diezelfde Griekse rationaliteit, tot op vandaag zichtbaar in hoe wij als gelovigen nadenken over rede, vrije wil en moraal. Als beide grote tradities dat al eens hebben klaargespeeld, waarom zouden we dan aannemen dat het vandaag niet opnieuw kan, en dan niet tussen die tradities onderling? Benhaddou toont zelf, met zijn eigen open en zelfkritische houding, dat die weg begaanbaar is. Ik zie niet in waarom religie dan zou moeten uitkomen bij een louter individuele motor, in plaats van bij een religie die haar dogma’s en haar fundamentalisme achter zich laat, maar juist daardoor in gesprek met andere tradities een gedeeld fundament mee kan dragen.
Durven kiezen voor ontmoeting
Wat me daarbij ook raakte, is hoe het boek me persoonlijk sterkt in mijn overtuiging over integratie. Als je ziet hoe een goede, oprechte integratie andere culturen, en dus ook andere religies, in staat stelt om mee te bouwen aan onze samenleving in plaats van ernaast te blijven staan, dan geeft dat net hoop. Niet de hoop dat we allemaal hetzelfde gaan geloven, maar de hoop dat verschillende gelovigen, met een open blik naar elkaar, samen iets kunnen opbouwen dat groter is dan wat elke traditie apart zou kunnen.
Dat is precies waar ik Benhaddou’s boek het meest dankbaar voor ben: het dwingt je om na te denken over wat verbindt, niet vanuit angst voor het verschil, maar vanuit nieuwsgierigheid ernaar. En het is ook precies daar waarom onze samenleving haar krampachtige angst voor ‘het Oosten’, voor de islam, voor religie in het algemeen, achter zich moet laten. Op dat punt heeft hij groot gelijk, en dat mag gezegd worden.
Toch blijf ik met een lichte spijt zitten. Ik vermoed dat Benhaddou, misschien onbewust, zijn conclusies iets te veel heeft afgestemd op zijn publiek: een breed, seculier Vlaams lezerspubliek, waarvoor ‘religie als individuele motor, seculiere waarden als gedeeld fundament’ de veiligste en de meest verkoopbare boodschap is. Dat maakt zijn middenpositie sterk en verstandig, maar ook een beetje te voorzichtig. Want vanuit het midden mag je best ook eens naar de uitersten reiken. Niet om daar te blijven hangen, maar om te tonen dat het midden niet betekent dat je nergens meer voor durft te kiezen.
Het meest fascinerende aan dit boek lezen, is misschien wel dit: iedereen verwacht dat een moslim pleit voor méér religie als bindmiddel van de samenleving, en een christen voor minder. Bij Benhaddou en mij ligt het genuanceerder, maar toch omgekeerd dan verwacht. Hij, imam, houdt religie welbewust individueel: een krachtige persoonlijke motor voor engagement, maar niet iets wat het gedeelde fundament van de samenleving zelf mag vormen.
Ik, als christen, denk dat meerdere geloven, mét elkaar in gesprek, samen wél zo’n fundament kunnen dragen, sterker dan seculiere waarden alleen. Misschien is dat precies het bewijs dat het hier niet gaat om wie het meest gelovig is, maar om welk soort samenleving we willen bouwen: een samenleving die religie alleen als privémotor toelaat uit angst voor wat ze gedeeld zou kunnen betekenen, of een samenleving die religies met elkaar laat spreken en er net daardoor sterker uit komt.
Ik zou graag met Benhaddou aan tafel zitten om dat gesprek verder te voeren. Tot dan geef ik het jou mee: als jij nadenkt over de monsters van onze tijd, durf dan de vraag om te draaien. Niet: hoe houden we geloof buiten de samenleving om de vrede te bewaren? Maar: hoe brengen we de verschillende gelovigen samen, zodat hun geloof net de lijm wordt die onze verdeelde tijd weer bij elkaar houdt?
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.





