Er ligt een boek op mijn nachtkastje dat ik met plezier en lichte frustratie heb uitgelezen. De Comeback Code van Julien De Wit. Ik ken Julien een beetje, en ik zeg dit dus niet als anonieme criticus maar als iemand die zijn werk waardeert en hem intellectueel serieus neemt. Het is een slim boek. Breed, goed gedocumenteerd, essayistisch in de beste zin van het woord. En toch mist het iets fundamenteels. Iets wat — en dat is het pijnlijke — het boek veel sterker had kunnen maken.
Maar laat me beginnen met wat erin staat. Want het fundament klopt.
Wat De Wit zegt — en waarom het de moeite waard is
De centrale these is zo helder dat ze bijna simpel klinkt: wie een crisis wil overleven én er sterker uitkomen, heeft twee dingen nodig. Veerkracht — het vermogen om overeind te blijven zonder jezelf te verliezen. En heruitvinding — het vermogen om in de chaos niet te zoeken naar wat was, maar naar wat kan zijn. Veerkracht zonder heruitvinding verhardt tot een harnas. Heruitvinding zonder veerkracht stort in bij de eerste tegenwind. Alleen samen vormen ze wat hij de comeback code noemt.
Die code trekt hij door op drie niveaus: individuen, organisaties, en samenlevingen.
Op individueel niveau bouwt hij zijn analyse rond herkenbare figuren. Abraham Lincoln als model van iemand die verlies, falen en crisis niet onderdrukte maar een plaats gaf — en zo bleef functioneren. Ernest Shackleton, die 28 mannen maandenlang op een ijsschots in leven hield door structuur, routine en altijd de eerstvolgende stap te zetten, nooit het eindpunt. Isaac Newton, die zijn grootste ontdekkingen deed niet ondanks een crisis maar erdoor — gedwongen tot afzondering, bevrijd van ruis. De kern van individuele veerkracht, aldus De Wit: maak onderscheid tussen wat je kunt beïnvloeden en wat niet, blijf handelen hoe klein ook, zorg voor je lichaam, filter wat je binnenlaat in je hoofd, en omring jezelf met mensen die je eerlijk durven tegenspreken.
Op organisatieniveau is zijn analyse scherper. Organisaties die crises overleven maar niet heruitvinden, worden operationeel robuust maar strategisch fragiel. Swissair, Kodak, Blockbuster, Nokia — ze faalden niet door gebrek aan talent of middelen, maar omdat ze te lang sterk bleven op een manier die niet langer paste. De LEGO-case is zijn beste: een bedrijf dat begin jaren 2000 zichzelf bijna kapot innoveerde door te veel tegelijk te willen zijn, en zich redde door de radicaalste vraag te stellen — ‘wat zijn wij eigenlijk?’ Het antwoord was eenvoudig en confronterend. En vanuit die essentie volgde echte vernieuwing.
Op samenlevingsniveau bespreekt hij Roosevelt en de New Deal, Finland dat tijdens een diepe recessie koos voor investeren in onderwijs, Taiwan dat zijn technologische positie maakte tot existentiële veiligheidsstrategie. De veerkrachtige samenleving, zegt hij, heeft een groot verhaal nodig — een narratief dat groter is dan de pijn van het moment — plus de moed om expliciete keuzes te maken, de infrastructuur om die keuzes te verankeren, en de strategische macht om niet te worden gekozen maar zelf te kiezen.
Het is een goed boek. Echt. Breed belezen, helder gestructureerd, en het heeft de intellectuele eerlijkheid om toe te geven dat zijn essay een ‘probeersel’ is, geen definitief systeem.
Maar dan is er dat gemis.
Het gemis dat geen toeval is
Ergens in het hoofdstuk over de veerkrachtige samenleving staat één alinea over religie. De Wit noemt het als één van de drie categorieën ‘grote verhalen’ die samenlevingen samenhouden: naast ideologisch-identitaire verhalen en politiek-economische verhalen zijn er religieuze verhalen, die betekenis geven aan lijden, verlies en eindigheid, antwoorden bieden waar rationele verklaringen tekortschieten. Zijn formulering is treffend: ‘Samenlevingen zonder dit soort verhalen staan met lege handen.’
En dan gaat hij verder.
Één alinea. In een boek van 160 pagina’s over precies de vraag waarvoor religie het meest uitgewerkte antwoordsysteem in de mensheidsgeschiedenis heeft opgebouwd.
Ik geloof niet dat dit toeval is. Ik geloof ook niet dat Julien het onderwerp onbelangrijk vindt. Ik denk dat hij het aanvoelt — je leest het tussen de regels — maar dat hij het niet durft te benoemen. Victor Frankl komt aan bod, maar alleen als psycholoog. De stoïcijnen krijgen ruim aandacht, maar hun religieuze dimensie wordt weggesneden. Rituelen worden beschreven als sociaal cement, niet als ontmoeting met het transcendente. Overal waar hij de grens nadert, trekt hij zich terug.
Dat is een gemiste kans. Niet alleen voor het boek, maar voor de analyse van de polycrisis zelf.
Want kijk naar wat De Wit zegt dat mensen nodig hebben om crises te dragen: een verhaal dat groter is dan de pijn van het moment. Een betekenisgrond die niet afhankelijk is van succes. Een referentiepunt buiten het systeem dat hen draagt. Een absolute eerlijkheid over wie je bent, los van wat je presteert. De moed om te handelen zonder garantie op uitkomst.
Dat is geen beschrijving van een psychologische techniek. Dat is een beschrijving van wat religie op haar best doet.
En dan is er nog een diepere laag. De Wit beschrijft de polycrisis als een toestand van verweven, zich versterkende crises die elkaar voeden. Hij stelt de vraag hoe samenlevingen veerkrachtig kunnen zijn in zulke tijden. Maar hij stelt niet de vraag of het verlies van religie zelf mede een verklaring is voor die polycrisis. Ik denk van wel. Niet als nostalgisch argument — ‘vroeger was alles beter’ — maar als structureel inzicht: samenlevingen die hun transcendente ankerpunt verliezen, verliezen tegelijk de meest robuuste bron van gezamenlijke betekenis, van individuele veerkracht, van morele oriëntatie die niet afhankelijk is van de waan van de dag. Wat je dan overhoudt zijn verhalen die kwetsbaarder zijn, betekenissystemen die breken zodra de omstandigheden tegenvallen.
Meer religie — of preciezer: meer erkenning van de waarde die het christendom te bieden heeft, zonder dat ik daarmee pleit dat iedereen lid wordt van een kerk — zou zijn comeback code niet verzwakken. Het zou haar voltooien.
Religie zelf aan de comeback
Maar dan keert de vraag zich om. Want als religie zo’n centrale rol speelt in veerkracht en heruitvinding — kunnen we dan De Wits model toepassen op religie zelf? Is religie momenteel aan een comeback bezig?
Ik denk dat we eerlijk moeten zijn over wat de data zeggen. De institutionele ontkerkelijking in West-Europa gaat structureel door. Dat valt niet weg te redeneren. Maar tegelijk zie je een beweging in de andere richting die je niet kunt negeren: stijgende interesse in spiritualiteit, contemplatie en zingeving — ook buiten kerkmuren. Een terugkeer van jongere generaties, ook in de VS, naar uitgesproken en identiteitsvormende religieuze gemeenschappen. Groeiende publieke interesse in figuren als Augustinus of de mystici, niet als vrome devotie maar als intellectuele zoektocht. Een toenemend besef, ook bij seculiere denkers, dat de grote verhalen van het atheïstisch humanisme iets missen wat mensen werkelijk nodig hebben.
Er is geen één grote revival. Maar er is een gefragmenteerd patroon van herbronning dat de moeite waard is om serieus te nemen.
Als ik De Wits model eerlijk toepas op religie — en als bisschop kan ik moeilijk anders dan dat te doen — dan zie ik twee uitdagingen die tegelijk moeten worden aangegaan. En ik zeg ‘uitdagingen’ bewust: dit is geen vrijblijvende observatie maar een oproep tot actie, ook aan mezelf en aan de mensen met wie ik werk.
De eerste uitdaging: de kerk als veerkrachtige, innovatieve organisatie
De Wit beschrijft hoe organisaties die crises overleven precies die fout maken: ze worden sterk op een manier die niet langer past. Operationeel robuust, strategisch fragiel. Ze verwarren de vorm met de functie. Ze optimaliseren wat bestaat in plaats van de radicale vraag te stellen: wat zijn wij eigenlijk?
Die vraag moet ook de kerk durven stellen. Niet als bedreiging voor de boodschap, maar als voorwaarde om haar te dragen. De kern van het christendom is verzoening, hoop, de waarde van elk mensenleven, de aanwezigheid van God ook in lijden, de gemeenschap die mensen overstijgt. Die kern is niet het probleem. Die kern is precies wat de wereld nodig heeft. Het probleem is wanneer we de vorm beschermen in plaats van de functie.
De LEGO-vraag voor de kerk is: wat doen wij eigenlijk, als we alles wegdenken wat niet essentieel is? En het antwoord op die vraag zou verrassend helder en verrassend relevant moeten zijn. Maar dan moeten we ook bereid zijn om vanuit die essentie te vernieuwen — in hoe we communiceren, in welke vormen we gebruiken, in hoe we aanwezig zijn in de samenleving — zonder aan de boodschap zelf te raken. Integendeel: juist door te focussen op de essentie kunnen we haar krachtiger en duidelijker in de wereld zetten.
Dat is een uitdaging die ik als bisschop dagelijks voel. Relevant blijven zonder te verworden tot een sociale club. Aansluiten bij de vragen van de tijd zonder de antwoorden te verzachten. De boodschap helder communiceren zonder haar te reduceren tot een feel-good verhaal. Dat is het verschil tussen een kerk die reageert op het seculiere vacuüm en een kerk die vanuit haar eigen kracht spreekt.
De Wit beschrijft hoe innovatieve organisaties niet méér ideeën nodig hebben maar betere vragen. Dat geldt ook hier.
De tweede uitdaging: religie als bijdrage aan de bredere samenleving
De andere kant van de comeback is minder intern. Want als religie werkelijk de rol speelt die ik denk dat ze speelt in veerkracht en heruitvinding, dan is dat niet alleen relevant voor mensen die al religieus zijn. Dan heeft religie iets te zeggen in het brede maatschappelijke gesprek over hoe we de polycrisis het hoofd bieden.
De Wit beschrijft hoe samenlevingen grote verhalen nodig hebben — verhalen die groter zijn dan de pijn van het moment, die mensen binden voorbij hun individuele belangen, die een ultieme betekenisgrond bieden die niet afhankelijk is van succes of politieke legitimiteit. Hij beschrijft ook hoe rituelen en tradities samenlevingen bij elkaar houden, hoe ze periodes van crisis draagbaar maken.
Wat hij niet zegt — maar wat ik wél durf te zeggen — is dat het christendom op al deze punten niet alleen historisch een rol heeft gespeeld maar vandaag nog steeds iets te bieden heeft dat seculiere alternatieven niet kunnen leveren. Niet als monopolie, niet als staatsgodsdienst, niet als dwingende identiteit — maar als levende traditie die antwoorden heeft op de vragen die de polycrisis stelt en die seculiere systemen onbeantwoord laten.
Waarom is dit lijden draagbaar? Wat zijn we elkaar verschuldigd, ook als er niets in return te verwachten valt? Wat geeft richting als alle externe ankerpunten wegvallen? Wat maakt de menselijke persoon onherleidbaar tot zijn productiviteit?
Dit zijn niet de vragen van een religieuze niche. Dit zijn de vragen van een samenleving in crisis.
De comeback van religie is daarom niet alleen een interne aangelegenheid van gelovigen. Het is een kans en een verantwoordelijkheid om actief deel te nemen aan het brede gesprek over herstel en heruitvinding. Om aan te tonen, niet te proclameren, wat een gemeenschap die gelooft concreet kan betekenen. In zorg voor de kwetsbare. In het bewaren van gemeenschappelijke verhalen. In het aanbieden van een ankerpunt aan mensen die midden in de storm staan en nergens houvast vinden.
Shackleton hield zijn mannen in leven door structuur te bewaren en altijd de eerstvolgende stap te zetten. Maar hij deed dat ook omdat hij geloofde dat het de moeite waard was. Die overtuiging, namelijk die weigering om te geloven dat alles zinloos is, is precies wat religie in de meest directe zin biedt.
De comeback code van De Wit klopt. Veerkracht plus heruitvinding. Nooit één van beide zonder het ander. De schaal maakt niet uit: het geldt voor mensen, organisaties en samenlevingen.
Maar de meest robuuste bron van beide heeft hij laten liggen. Niet omdat ze er niet is. Maar misschien omdat ze te groot was om er vluchtig overheen te gaan.
Ik hoop dat hij het een volgende keer durft te benoemen. En ik hoop dat de kerk de moed heeft om te laten zien dat ze het waard is om benoemen.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.





