De marathon na je doop lopen we samen
Kort samengevat
Iedereen is welkom bij Jezus, precies zoals hij is. Wie Hem volgt, wordt tegelijk uitgenodigd om verder te groeien. De vraag is daarom niet of je al ‘klaar’ bent, maar of je bereid bent om samen met Christus op weg te gaan. Die groei verloopt niet voor iedereen op dezelfde manier of in hetzelfde tempo, en niet elke worsteling vraagt dezelfde begeleiding. Wie al langer onderweg is, hoort daarbij niet als toeschouwer langs de kant te staan, maar als medeloper naast iemand te lopen.
Soms praat ik met mensen die nog niet lang gedoopt zijn. Terwijl ik hen beter leer kennen, merk ik dat er in hun leven nog dingen zijn waarmee ze worstelen of waarin verdere groei nodig is. Een paar jaar geleden zou ik mij dan waarschijnlijk hebben afgevraagd of ze eigenlijk al wel ‘klaar’ waren voor hun doop. Nu komt er een andere vraag in mij op: waar staan ze vandaag, welke stappen hebben ze al gezet, en hoe kunnen wij hen het beste helpen om verder te groeien? En eerlijk? Soms vraag ik me nog altijd af of we met die andere benadering de lat niet aan het verlagen zijn.
Die twijfel is niet nieuw voor mij. Als bisschop kom ik die vraag geregeld tegen, bij anderen maar ook bij mezelf. Zijn onze doopnormen versoepeld? Is de kerk milder geworden, of misschien zelfs te toegeeflijk? Ik heb daar zelf mee geworsteld en er ook weleens te snel of te stellig op gereageerd. Na veel gesprekken, nadenken en gebed ben ik het anders gaan bekijken. Niet omdat het doel veranderd is, maar omdat ik anders ben gaan kijken naar het beginpunt van iemands weg.
Twee stemmen, hetzelfde gemis
Deze vraag houdt me al een tijd bezig, en ik merk dat ze ook binnen onze eigen geloofsgemeenschap leeft, vanuit verschillende hoeken. Sommige leden maken zich zorgen dat we de normen van het evangelie te weinig benadrukken. Zij vrezen dat de drempel te laag wordt, dat we te gemakkelijk ‘ja’ zeggen en mensen onvoldoende voorbereiden op wat een verbond met God betekent. Anderen maken zich net zorgen dat we te veel drempels opwerpen. Zij vrezen dat mensen pas werkelijk welkom lijken wanneer hun leven al helemaal op orde is, en dat we onvoldoende laten zien dat iedereen bij Jezus terechtkan zoals hij is.
Ik neem beide bezorgdheden ernstig. Ze komen volgens mij vaak voort uit een oprechte liefde voor het evangelie. Beide stemmen begrijpen iets belangrijks van wie Christus is, maar geen van beide vertelt op zichzelf het volledige verhaal. Wie vooral het welkom benadrukt, heeft volkomen gelijk dat iedereen bij Jezus terechtkan. Niemand moet eerst zijn hele leven op orde brengen om door Hem gezien, bemind of geroepen te worden. Jezus wacht niet tot iemand perfect is voor Hij hem uitnodigt om dichterbij te komen.
Maar wie daaruit besluit dat een ontmoeting met Christus niets hoeft te veranderen, mist een wezenlijk deel van zijn boodschap. In het verhaal van de vrouw die op overspel betrapt werd, zegt Jezus niet alleen: ‘Ook Ik veroordeel u niet.’ Hij voegt eraan toe: ‘Ga heen en zondig niet meer.’ Genade en verandering staan daar niet tegenover elkaar. Ze horen bij elkaar. Jezus veroordeelt haar niet, maar laat haar ook niet achter zonder richting. Wie slechts één van die twee zinnen onthoudt, houdt een onvolledig beeld van Christus over.
Wie vooral de normen benadrukt, heeft op zijn beurt gelijk dat er richting, geboden en verbonden zijn. Structuur kan mensen beschermen en dichter bij hun Heiland brengen. Het evangelie is niet alleen een vaag gevoel van aanvaarding; het nodigt ons uit tot een concrete manier van leven. Maar wie het geloof hoofdzakelijk als een verzameling regels gaat zien, vergeet waarvoor die regels bestaan. Joseph Smith vatte dat ooit samen in het bekende beginsel: leer mensen juiste principes, en laat hen zichzelf besturen.
Zonde is veel meer dan een overtreding van een reglement. Ze raakt aan onze relatie met God, met andere mensen en met onszelf. In Leer en Verbonden 19 lezen we dat de verzoening de Heiland zoveel pijn kostte dat Hij ervan beefde. Regels zijn er daarom niet om het leven nodeloos ingewikkeld te maken. Ze wijzen op dingen die werkelijk van betekenis zijn. Het probleem is dus niet dat de ene bezorgdheid terecht is en de andere niet, maar dat beide, elk voor zich, een halve waarheid voor de volledige waarheid kunnen houden.
Van ‘ben je klaar?’ naar ‘ben je bereid?’
Dat inzicht heeft mij doen nadenken over de vraag die ik mezelf zo vaak stelde. Vroeger dacht ik bij ‘klaar zijn’ bijna automatisch aan: alles is in orde. Elke gewoonte is afgeleerd, elke vraag beantwoord, elke twijfel weggewerkt en elk probleem opgelost. Wie nog ergens mee worstelde, leek in mijn hoofd nog niet echt klaar. Maar is dat ooit geweest wat het evangelie vraagt? Ik denk het niet.
Wat gevraagd wordt, is niet dat iemand al af is. Het gaat om bereidheid: de oprechte wil om Christus te volgen en verder te gaan, ook al is de weg nog lang. Niemand van ons is af. Ikzelf ben, na jaren in de kerk en jaren van kerkelijke verantwoordelijkheid, nog altijd volop onderweg. Er zijn eigenschappen waarin ik wil groeien, gewoontes die ik wil veranderen en dingen waarvan ik besef dat Christus er nog werk aan heeft. Als ‘af zijn’ de norm was, zou niemand ooit klaar zijn.
Dat betekent natuurlijk niet dat welkom zijn, klaar zijn voor de doop en klaar zijn voor iedere volgende verbondsstap precies hetzelfde zijn. Iedereen mag deel uitmaken van de gemeenschap en verdient er liefde, respect en een veilige plaats. De doop vraagt daarnaast geloof in Christus, een oprechte bekering en een werkelijke bereidheid om volgens zijn evangelie te leven. Ook daarna blijven er nieuwe stappen, verantwoordelijkheden en verbonden. Maar in geen enkele fase wordt volmaaktheid vooraf gevraagd.
Toch zou ik oneerlijk zijn als ik zei dat er niets veranderd is in de manier waarop ik naar de doop kijk. Er is wel iets veranderd, en dat is meer dan alleen een andere woordkeuze. Niet het traject is korter geworden, maar het moment waarop de doop binnen dat traject valt, kan voor sommige mensen vroeger liggen dan anderen misschien zouden verwachten. Vroeger werd de doop soms bijna voorgesteld als een diploma-uitreiking: eerst moest alles op orde zijn, en daarna volgde de doop als bevestiging dat het proces grotendeels voltooid was. Maar de doop is geen diploma. Hij is een begin.
Met de doop komen verbonden en, zoals in Handelingen 2:38 staat, de gave van de Heilige Geest. Dat zijn geen beloningen voor mensen die de hele weg al hebben afgelegd. Het zijn gaven die iemand helpen om de weg verder te gaan. Wie vroeger in zijn groeitraject gedoopt wordt, krijgt dus niet minder te verwerken. Hij krijgt eerder geestelijk gereedschap in handen om verder te kunnen groeien. Ik ben dat daarom niet langer gaan zien als een versoepeling, maar als een andere kijk op de volgorde: niet eerst volledig veranderen en dan pas met Christus op weg gaan, maar je door de doop bewust aan Hem verbinden en vanuit dat verbond verder leren leven.
Die benadering herken ik steeds vaker in de manier waarop binnen de kerk over bekering, verbonden en bediening gesproken wordt. Hoe ze concreet wordt toegepast, zal in de praktijk verschillen. Mensen verschillen, omstandigheden verschillen en leiders moeten telkens opnieuw proberen om met wijsheid, gebed en liefde te handelen. Dat betekent niet dat alles zomaar kan. Er blijven normen en de doop houdt een verbond in dat niet vrijblijvend is. Het doel verandert niet: dat ons leven steeds meer in overeenstemming komt met dat van Christus. Die lat kunnen wij trouwens niet zelf verhogen of verlagen, want het is niet onze lat.
Wat wel verandert, is de vraag die eraan voorafgaat. Niet alleen: ben je al zover? Maar ook: wil je werkelijk die kant op, en zijn de eerste stappen van die bekering zichtbaar geworden? Bereidheid betekent daarbij niet dat wij onszelf op eigen kracht moeten herscheppen. Bekering is niet simpelweg harder proberen. Het betekent dat wij Christus toelaten om met ons te werken. Wij zetten stappen, maar zijn genade draagt ons wanneer onze eigen kracht tekortschiet.
Niet elke worsteling vraagt dezelfde begeleiding
Binnen de normen van het evangelie bestaan verschillen. Niet noodzakelijk in de eenvoudige zin dat het ene gebod belangrijk is en het andere niet, maar wel in de aard van de worsteling en in de begeleiding die iemand nodig heeft. Een afhankelijkheid van alcohol, tabak, koffie, thee, drugs of andere middelen kan bijvoorbeeld een sterke lichamelijke, psychologische en sociale dimensie hebben. Wie daarmee worstelt, heeft niet alleen aansporing nodig, maar soms ook tijd, intensieve ondersteuning en professionele hulp. Een terugval kan ernstig zijn zonder automatisch te bewijzen dat elke bereidheid verdwenen is. Groei verloopt niet altijd in een rechte lijn.
Relationele of seksuele keuzes raken weer andere aspecten van het leven: vertrouwen, verbondenheid, verantwoordelijkheid, veiligheid en de manier waarop we met ons eigen lichaam en dat van anderen omgaan. Financiële geboden, zoals de wet van de tiende, kunnen raken aan vertrouwen in God, maar ook aan armoede, angst, onzekerheid en verantwoordelijkheid tegenover een gezin. De norm verdwijnt daardoor niet, maar de weg naar verandering ziet er niet voor iedereen hetzelfde uit. Dat verschil in aard is waarom een pastoraal gesprek niet iedere situatie op exact dezelfde manier kan behandelen.
Dat betekent niet dat sommige mensen minder ernstig genomen worden of dat bepaalde geboden er niet toe zouden doen. Het betekent dat mensen geen identieke problemen zijn die met één checklist opgelost kunnen worden. Goede begeleiding vraagt daarom meer dan controleren of iemand alle juiste vakjes kan afvinken. Ze vraagt dat we luisteren, proberen te begrijpen, eerlijk spreken en samen zoeken naar de eerstvolgende haalbare en oprechte stap. Niet elke worsteling vraagt dezelfde aanpak, maar ieder mens verdient dezelfde liefde en zorgvuldigheid.
Principes aanleren, niet elk detail voorschrijven
Dat alles mag niet verward worden met betutteling. Ik citeerde eerder Joseph Smith: leer mensen juiste principes, en laat hen zichzelf besturen. Dat beginsel gaat niet alleen over kerkbestuur. Het geldt ook voor de manier waarop we nieuwe en groeiende leden begeleiden. Zelfs God werkt niet door elk detail van ons leven voortdurend voor te schrijven. ‘Want zie, het is niet passend dat Ik in alle dingen zou gebieden,’ lezen we in Leer en Verbonden 58:26. De kracht ligt juist in mensen die als vrije actoren leren kiezen, handelen en verantwoordelijkheid opnemen.
Dat betekent dat wij onderwijzen en vervolgens ook ruimte laten: ruimte om zelf keuzes te maken op basis van begrip, niet alleen uit angst of sociale druk; ruimte om fouten te maken, terug op te staan en bij te leren; en ruimte om vragen te stellen zonder dat elke vraag als verzet wordt geïnterpreteerd. Dat is geen zwaktebod. Het is een belangrijk deel van geestelijke groei. Geloof dat alleen standhoudt zolang iemand voortdurend wordt gecontroleerd, heeft nog niet geleerd op eigen benen te staan.
Wat wel tot de verantwoordelijkheid van leiders behoort, is mensen helpen om eerlijk te zien welke keuzes hun volgende stap ondersteunen of juist belemmeren. Niet elk detail van iemands leven controleren, maar wel helpen om de weg helder te houden. Wat dat concreet betekent, verschilt van persoon tot persoon en laat zich niet volledig in een schema gieten. Het vraagt iedere keer opnieuw gebed, gesprek, onderscheidingsvermogen en betrokkenheid van de mensen die iemand begeleiden. Een checklist kan duidelijkheid geven, maar nooit het pastorale gesprek vervangen.
Bereidheid is dus geen blanco cheque. Ze is een oprechte richting, verbonden met concrete stappen. Meestal betekent dat dat de bekering al is begonnen: een schadelijke of met het evangelie strijdige gewoonte wordt niet langer verdedigd of bewust voortgezet alsof er niets aan de hand is. Tegelijk kan de innerlijke neiging, verleiding of kwetsbaarheid nog lang aanwezig blijven. Iemand kan gestopt zijn en toch blijven worstelen, vooruitgaan en toch struikelen, of oprecht bereid zijn en meer tijd nodig hebben dan wij hadden verwacht.
Geen toeschouwers, maar medelopers
Wie klaagt dat de kerk te soepel geworden is, vergeet volgens mij soms dat de Heer nog met iemand bezig kan zijn, en dat zo’n proces tijd verdient. Wie zelf midden in verandering zit, ervaart die eigen groei trouwens zelden als indrukwekkende vooruitgang. Het voelt veel vaker als tobben, vallen, twijfelen, opnieuw proberen en soms nauwelijks merken dat er iets veranderd is. Wanneer iemand zegt: ‘De Heer werkt nog aan mij’, hoeft dat geen uitvlucht te zijn. Het kan betekenen: ik ben nog niet waar ik wil zijn, maar ik beweeg wel. Dat is iets anders dan bewust stilstaan, en het verdient geen ongeduld of vernedering, maar begeleiding.
Daar ligt volgens mij een belangrijke taak voor wie al langer in de kerk is: niet vanop afstand toekijken en beoordelen, maar meelopen. Wie ooit voor een marathon getraind heeft, weet dat het verschil tussen uitlopen en opgeven zelden alleen een kwestie van talent is. Het maakt uit wie naast je loopt, wie op tijd water aanreikt, wie je moed inspreekt wanneer je denkt dat je niet verder kunt en wie merkt dat je pijn hebt voordat je zelf durft toe te geven dat het niet meer gaat. Mensen die de kerk binnenstappen, hebben soms een lange weg voor de boeg. Onze taak is niet alleen om langs het parcours te applaudisseren. Onze taak is om een deel van die weg naast hen te lopen.
Maar dezelfde metafoor heeft ook een andere kant, en daar wil ik niet omheen draaien. Wie zich inschrijft voor een marathon maar nooit traint, onderweg alle hulp afwijst en geen enkele stap wil zetten, zal de finish waarschijnlijk niet halen, hoe mooi de oorspronkelijke bedoeling ook was. Wie zegt bereid te zijn, maar iedere concrete uitnodiging tot groei blijft afwijzen, komt uiteindelijk niet vooruit. Liefde die daarover zwijgt, helpt iemand niet. Daarom moeten we eerlijk durven zeggen wat het evangelie vraagt.
Tegelijk moeten we voorzichtig zijn met snelle conclusies. Wie onderweg vertraagt of uitvalt, doet dat niet altijd uit gebrek aan wil. Soms is iemand uitgeput. Soms draagt iemand letsels die wij niet zien. Soms heeft iemand zich nooit veilig genoeg gevoeld om eerlijk te zeggen hoe zwaar het werkelijk was. En soms was de begeleiding niet passend, te dwingend of juist te afwezig. Ook dat hoort bij onze taak als medelopers: niet alleen aansporen om vol te houden, maar ook zien wanneer iemand rust, begrip, professionele hulp of een andere vorm van begeleiding nodig heeft.
Daarom moeten leiders en andere leden eerlijk durven zeggen wat het evangelie vraagt, maar ook nederig genoeg blijven om te erkennen dat wij niet altijd volledig begrijpen wat iemand draagt. Liefde betekent niet dat we elke keuze goedkeuren. Ze betekent wel dat iemands waarde niet verdwijnt wanneer hij struikelt, twijfelt of achteropraakt. Liefde garandeert evenmin dat iedereen blijft; mensen maken hun eigen keuzes en soms gaan wegen uiteen. Maar zonder liefde maken we het voor mensen onnodig moeilijk om te blijven groeien.
Juist als leiders hebben we de verantwoordelijkheid om te wijzen op wat er werkelijk toe doet. Niet vanuit een ‘alles kan’-mentaliteit, maar vanuit een liefde die eerlijk genoeg is om niemand in het ongewisse te laten en zacht genoeg om niemand tot zijn tekortkomingen te reduceren. We hoeven niet te kiezen tussen duidelijkheid en mededogen. Christus deed dat ook niet. Hij sprak waarheid, maar verloor de mens voor Hem nooit uit het oog.
Welkom, en dan?
Dus ja: iedereen is welkom, precies zoals hij is. Je hoeft geen jarenlange voorbereiding door te lopen of jezelf eerst perfect te maken voordat je in de kerk, bij Christus of in een geloofsgemeenschap welkom bent. Wie overweegt om lid te worden, hoeft niet te wachten tot alles volledig op orde is. Maar wie binnenstapt, mag ook weten waar hij aan begint: een kerk die groei verwacht, omdat ze gelooft dat Christus ieder van ons uitnodigt om te veranderen.
Dat is geen tegenstelling. Werkelijk welkom zijn betekent niet dat iedereen altijd moet blijven waar hij vandaag staat. En opgeroepen worden tot verandering betekent niet dat iemand vandaag minder geliefd, minder waardevol of minder welkom is. Dat is de balans die we samen moeten blijven zoeken, met aandacht voor wie bezorgd is dat normen verdwijnen, maar ook voor wie bang is dat hij pas welkom zal zijn wanneer hij eerst iemand anders geworden is.
De groei die van ons gevraagd wordt, is trouwens niet in de eerste plaats iets wat een gemeenschap van ons eist om erbij te mogen horen. Het is het werk van de Heiland zelf. Hij nodigt uit, vergeeft, onderwijst en versterkt. Hij vraagt soms dingen die moeilijk zijn, maar blijft ook aanwezig wanneer onze groei trager verloopt dan wijzelf of anderen hadden gehoopt. Dat werk voltrekt zich niet volgens één identiek tijdschema voor iedereen. Wij zijn er om te begeleiden, te ondersteunen en eerlijk te onderwijzen, niet om iemand in ons tempo te dwingen.
Kom dus zoals je bent. Niet omdat alles altijd zo moet blijven, maar omdat Christus precies daar begint waar jij vandaag staat. De vraag is niet of je al af bent. De vraag is of je bereid bent om met Hem op weg te gaan. En de rest? Die leren we samen, stap voor stap, zoals medelopers tijdens een lange marathon.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

