Kort samengevat
Uitputting, kerkgeschiedenis, geweten en een gemis aan geestelijke voeding zijn de vier grote patronen uit Torn, aangevuld met een vijfde die dichter bij huis ligt: een onhandig woord of een miskend gevoel dat nooit werd rechtgezet. Luisteren om te begrijpen, begrip tonen zonder het eens te zijn, en hardop benoemen wat we liever verzwijgen, doen meer dan welk beleid ook. Weggaan blijft, op enkele zware uitzonderingen na, een eigen keuze. Maar onze taak is dubbel: nooit zelf de reden zijn, en zoveel mogelijk inzicht geven zodat die keuze weloverwogen is, met de liefde die sowieso blijft, wat er ook uit komt.
Toen mijn zoon Lucas na het overlijden van zijn grootmoeder steeds minder naar de kerk kwam, heb ik lang gewacht op het grote gesprek. Het kwam niet. Zo’n verlies laat vragen na die niemand graag hardop stelt: waarom voelde een gebed om genezing zo onbeantwoord, en hoe rijm je de belofte van een eeuwig gezin met een afscheid dat toch zo definitief aanvoelt? Ik vermoed dat het ergens daar begon, al heeft hij het nooit met zoveel woorden gezegd. Er was geen ruzie, geen moment waarop hij zei dat hij niet meer geloofde. Er was gewoon steeds meer stilte op zondagochtend, en op een dag was hij er niet meer. Hij is nooit anti geworden. Hij spreekt nooit kwaad over de kerk, en al zeker niet over de mensen erin. Hij luistert zelfs geduldig als ik er af en toe nog over begin. Ik hou onvoorwaardelijk van hem, ik begrijp perfect waarom hij denkt zoals hij denkt na wat er gebeurd is, en tegelijk kan ik het niet laten om af en toe, voorzichtig, te proberen of er ergens nog een sprankeltje over is dat wil groeien. Dat spanningsveld — iemand volledig aanvaarden zoals hij is, en toch blijven hopen dat het geloof ooit terugkomt — is denk ik iets wat heel wat gezinnen in onze kerk vandaag kennen.
Vier golven
Er verscheen dit jaar in de Verenigde Staten een boek dat daar precies over gaat: Torn, van Jeff Strong, een voormalig topmanager bij Procter & Gamble en Johnson & Johnson, en zelf bisschop en zendingspresident geweest. Ook zijn aanleiding was persoonlijk: drie van zijn vijf kinderen verlieten op een bepaald moment de kerk. Dat bracht hem ertoe een grootschalig onderzoek op te zetten, gebaseerd op meer dan twintigduizend enquêtes en gesprekken, naar waarom mensen wegblijven. Zijn onderzoek onderscheidt vier patronen, die hij golven noemt. Ze overlappen in de praktijk voortdurend, maar het loont om ze apart te bekijken.
De eerste golf is levensstijl. Dit is niet de golf van twijfel, maar van uitputting. Mensen die deze weg gaan, vragen zich niet af of de kerk waar is, maar of ze het nog volhouden. Overvolle roepingen (de vrijwillige taken en functies die je binnen de gemeente opneemt) bovenop gezin en werk, mentale druk die aangewakkerd wordt door schuldgevoel en perfectionisme, een cultuur waarin voortdurend bezig zijn de norm is en rust bijna als falen aanvoelt. Wat mensen hier zeggen is zelden theologisch: ze voelden zich gecontroleerd, ze waren op, ze hadden geen ruimte meer voor hun eigen beslissingen. Op zichzelf is dit zelden de reden waarom iemand definitief vertrekt. Het is vaker het eerste scheurtje: de plek waar de weerstand tegen alles wat daarna komt, begint af te brokkelen.
De tweede golf, en meteen de grootste, is kerkgeschiedenis. Mensen botsen op historische, doctrinaire of institutionele informatie die niet strookt met wat ze ooit geleerd of aangenomen hadden. Polygamie, vertaalvraagstukken rond het Boek van Mormon of het Boek van Abraham, de feilbaarheid van profeten, aspecten van de tempelbegiftiging (de plechtige ceremonie die leden in de tempel ontvangen). Het interessante, en het punt dat me het meest is bijgebleven, is dat het zelden de historische feiten zelf zijn die het meeste pijn doen. Het is de vraag die daarna komt: wie kan ik nog vertrouwen, als dit me nooit verteld is? Mensen die deze golf doormaken, kunnen best leven met complexiteit en onvolmaaktheid. Wat hen breekt, is het gevoel dat ze op een vereenvoudigd verhaal hebben gebouwd, en dat de instelling die het verhaal vertelde, dat wist.
De derde golf gaat over sociale kwesties en geweten. Hier is het niet: is de kerk waar. Het is: zelfs als ze waar zou zijn, kan ik dit nog steunen? De omgang met LGBTQ-personen, financiële transparantie, tienden als voorwaarde voor doop en tempelbezoek, ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, de manier waarop misbruik soms is behandeld. Wat deze golf onderscheidt van de vorige, is dat het geen zoektocht naar waarheid is, maar een gewetenskwestie. Mensen zeggen niet: ik geloof niet meer. Ze zeggen: ik kan mijn geweten hier niet meer aan onderwerpen, en zolang loyaliteit zwijgen vraagt, weegt die loyaliteit te zwaar.
De vierde golf is kerkelijke ervaring, en misschien wel de stilste van de vier. Mensen blijven geloven in God en in Christus, maar de kerk zelf voedt hen niet meer geestelijk. Aanbidding die procedureel aanvoelt in plaats van levend. Meer nadruk op gehoorzaamheid en tempelbezoek dan op andere delen van het evangelie. Leiders bij wie gehoorzaamheid zwaarder weegt dan zorg. Wat mensen hier zeggen, klinkt bijna als honger: ik voelde de Heiland niet meer, ik was geestelijk uitgehongerd. Dit is vaak de golf die de doorslag geeft, juist omdat ze niet over claims of beleid gaat, maar over de vraag of er nog iets te vinden valt dat voedt.
Geen van deze vier golven staat op zichzelf. Wie vermoeid raakt door golf één, wordt kwetsbaarder voor de vragen van golf twee. Wie via golf drie zijn geweten laat spreken, komt via die weg vaak ook bij golf twee terecht, en voelt zich extra ontgoocheld in golf vier als zijn zorgen weggewuifd worden. Het zijn geen vier aparte verklaringen, het zijn vier plekken waar oprechte mensen botsen met een omgeving die worstelt om complexiteit, geweten en twijfel goed op te vangen.
Eén ding wil ik er wel meteen bij zeggen. Strongs enquête werd vooral verspreid via online gemeenschappen van huidige en voormalige leden, plekken waar mensen toch al actief bezig zijn met geloofsvragen. De percentages die aan elke golf hangen, zeggen dus vooral iets over wie de moeite nam een lange vragenlijst in te vullen, niet noodzakelijk over de kerk als geheel. Er ontbreekt bovendien een golf: mensen die niet vertrekken na een crisis, maar gewoon wegdrijven, zonder storm en zonder breekpunt. Die groep spreekt zich per definitie nooit luidop uit, en duikt dus ook nooit op in dit soort onderzoek. Toch herken ik, als bisschop, elk van de vier golven die er wél in staan. Ze zijn nuttig, zolang je ze als patronen leest, en niet als exacte statistiek.
Een vijfde golf, dichter bij huis
Torn is, dat mag gezegd worden, een heel Amerikaans boek over een heel Amerikaanse kerkcultuur. In Vlaanderen, en ik vermoed in de rest van Europa, zie ik zelf een patroon dat in Strongs vier golven nergens echt een plaats krijgt, en dat in mijn ervaring minstens even vaak voorkomt als de andere vier samen: een conflict, of misschien is dat al een te zwaar woord, met een ander lid.
Een verkeerd gekozen woord tijdens een les. Een uitleg die kortaf of onhandig overkwam. Een gebrek aan warmte op een moment waarop iemand net wat extra nodig had. En soms, erger nog, hetzelfde maar dan van iemand met gezag: een bisschop, een quorumleider. Meestal zit er geen kwaadwil achter, al bestaan ook verhalen waarin dat wel zo is: bewust misbruik van gezag, roddel, grensoverschrijdend gedrag. Dat bestaat, en het verdient geen vergoelijking. Maar of het nu onhandigheid was of iets kwaadaardigers, de impact op wie het overkwam weegt voor hem vaak even zwaar. Soms is het één moment dat blijft hangen, maar meestal is het een optelsom: de anderen, over een langere tijd, die elk een beetje bijdragen aan hetzelfde gevoel. Niet uit protest. Gewoon: de zondag wordt een drempel in plaats van een uitnodiging, en die drempel wordt elke week een beetje hoger.
Wat deze golf onderscheidt van de andere vier, is dat ze zelden over de kerk zelf gaat, en bijna altijd over de anderen in de kerk. Dat maakt haar niet per se makkelijker om te herstellen dan de rest. Er is geen doctrine te herzien, geen beleid te veranderen, maar dat betekent niet dat de oplossing voor het grijpen ligt. Het vergt actie van individuen, en het is bijzonder moeilijk om je eigen fout te zien, zeker als het kwetsende gedrag net goed bedoeld was: niemand herkent zichzelf graag in een verhaal waarin hij iemand pijn deed zonder het te willen. En de verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij wie kwetste. Ook bij wie wegbleef, moet er bereidheid zijn om te vergeven, anders blijft de drempel staan, ook als de ander allang spijt zou hebben. Wat deze golf vooral vraagt, is niet herstel achteraf, maar voorkomen vooraf. Dat begint bij er gewoon bewust van zijn: weten dat dit meespeelt, in plaats van te denken dat mensen alleen om grote, principiële redenen wegblijven. En het begint bij geen schrik hebben van twee simpele woorden: het spijt me. Een leider die tijdig durft toegeven dat hij het verkeerd aanpakte, doet meer om deze golf te keren dan welk beleid ook ooit zou kunnen.
Strongs derde golf, geweten en sociale kwesties, zie ik hier trouwens steeds sterker opduiken bij jongeren, en dan specifiek in de jaren waarin ze van adolescent naar volwassene overgaan en voor het eerst echt hun eigen mening beginnen te vormen over die thema’s. Dat is niet de schuld van de maatschappij, dat wil ik niet suggereren. Maar het helpt niet dat de buitenwereld wie er anders over denkt vaak meteen wegzet, langs beide kanten van elk debat. Jongeren die op dat kwetsbare moment een eigen, genuanceerde positie proberen in te nemen, komen daardoor vaak alleen te staan: te progressief voor de ene kant, te behoudend voor de andere. En jongeren staan niet graag alleen.
Met liefde luisteren
Het tweede deel van Strongs boek gaat over hoe je als lid, als ouder, als leidinggevende in de kerk hiermee omgaat. Hij geeft daar concrete stappen voor, en ze zijn niet slecht. Maar als bisschop wil ik het liever anders zeggen, vanuit wat ik zelf in al die jaren heb geleerd.
Het begint bij luisteren. Niet luisteren om te antwoorden, niet luisteren om het juiste schriftuurlijke tegenargument klaar te houden, maar luisteren om te begrijpen. De meeste mensen die twijfelen, hebben geen nood aan iemand die hun vragen oplost. Ze hebben nood aan iemand die niet meteen springt om te repareren. Als iemand tegenover me zit en zegt dat hij het niet meer voelt, of dat hij iets niet meer kan verzoenen met zijn geweten, is mijn eerste taak niet om daar iets tegenin te brengen. Mijn eerste taak is om te laten merken dat ik echt hoor wat er gezegd wordt.
Daarna komt begrip. Niet het soort begrip dat zegt: ik snap dat je het daar even moeilijk mee hebt, maar eigenlijk begrijp ik ook waaróm iemand tot die conclusie komt, zelfs als ik zelf tot een andere conclusie kom. Dat is een groter verschil dan het lijkt. Het is één ding om iemands moeilijkheid te erkennen. Het is iets anders om toe te geven dat zijn redenering, gegeven wat hij heeft meegemaakt, gewoon klopt, ook al kom ik zelf ergens anders uit. Bij Lucas is dat precies wat ik heb moeten leren. Zijn redenering na het verlies van zijn grootmoeder is voor hem consistent en eerlijk. Ik hoef ze niet te delen om ze te begrijpen.
En dan, misschien het moeilijkste: de illusie loslaten dat ik hier controle over heb. God dwingt niemand. Hij nodigt uit, en laat mensen kiezen, ook als dat Hem pijn doet. Er is een vers in Mozes dat zegt dat God weende toen Hij zag hoe zijn kinderen zich van elkaar en van Hem afkeerden (Mozes 7:28). Als God zelf die pijn draagt zonder te dwingen, wie ben ik dan om te denken dat ik met het juiste argument, op het juiste moment, iemand terug kan praten? Dat wil niet zeggen dat ik stop met proberen. Het betekent dat het proberen zelf niet uit controle mag komen, maar uit liefde die niets terugvraagt.
Dat is ook waarom ik denk dat de bekende tekst uit Leer en Verbonden nog steeds het beste kompas is: het is niet prijzenswaardig om in alles gedwongen te moeten worden, want de macht is in hen, waardoor zij actoren voor zichzelf zijn (LeV 58:26, 28). Die macht geldt voor mij evengoed als voor Lucas. Ik kan de omgeving proberen te zijn waarin geloof kan groeien. Groeien doet het uiteindelijk zelf.
Er is nog één pastorale les die ik hieraan wil toevoegen, en het is misschien wel de belangrijkste: preventief werken. Als we deze patronen kennen (de golven van Strong, en die vijfde, dichter bij huis), dan is de verleiding groot om ze uit angst dood te zwijgen. Niet spreken over twijfel, niet spreken over de pijn die een onhandig woord kan veroorzaken, niet spreken over de spanning die jongeren voelen rond sociale kwesties, uit angst dat we het probleem daarmee zelf zouden oproepen. Ik denk dat het net andersom werkt. Wie deze patronen nooit benoemt, laat iemand alleen in de kou staan op het moment dat het hem overkomt. Maar wie vooraf al weet dat er ruimte is voor twijfel, dat er andere zienswijzen bestaan en begrepen worden, dat een onhandig woord van een leider geen weerspiegeling is van hoe God naar hem kijkt — die staat sterker wanneer de golf, welke het ook is, hem uiteindelijk bereikt. Voorkomen begint niet bij een oplossing. Het begint bij het hardop benoemen van wat we liever zouden verzwijgen.
Ik wil hier wel eerlijk zijn over de grenzen van wat ik als bisschop kan doen. Bij golf drie gaat het vaak over beleid dat ver boven mijn wijk wordt beslist: financiële transparantie, de omgang met LGBTQ-personen, tienden als voorwaarde voor tempelbezoek. Hoeveel liefde en begrip ik ook toon, dat verandert niets aan het beleid zelf. Voor wie zijn geweten daar net op vastloopt, lost een luisterend oor op wijkniveau de spanning op wereldwijd niveau niet op, en ik ga daar niet omheen draaien. Het enige wat ik wél kan bieden, is dat niemand dat gewicht alleen hoeft te dragen, en dat ik zonder schrik durf te zeggen dat ik geen probleem heb met die vragen om nog altijd volwaardig deel uit te maken van deze kerk.
Wat het boek me wel en niet gaf
Voor Lucas heeft Torn me eigenlijk weinig bijgebracht. Niet omdat het boek slecht is, maar omdat wat ik voor hem nodig had, geen boek me kon geven: gewoon blijven liefhebben, blijven luisteren, en de deur op een kier houden zonder te duwen. Dat wist ik al voor ik de eerste bladzijde had gelezen.
Wat het me wél gaf, is iets anders: een bruikbaar kader om mijn eigen ervaringen en lessen als bisschop nog eens te overdenken en te ordenen, en om ze wat hoger op mijn eigen prioriteitenlijstje te zetten. Het onderscheid tussen de golven, de vier van Strong, en die vijfde die ik er hier zelf naast leg, helpt me sneller te herkennen waar iemand staat, en dus ook om beter te luisteren naar wat er werkelijk gezegd wordt in plaats van wat ik verwacht te horen.
Toch wil ik er eerlijk bij zeggen dat ik het boek, in zijn geheel, te eenzijdig vind. Strong legt de verantwoordelijkheid keer op keer bij de cultuur van de kerk, alsof mensen vooral vertrekken omdat wij als leden en leiders tekortschieten. Er zit waarheid in dat wij vaak tekortschieten. Dat ontken ik niet, en dit stuk begint er niet toevallig mee. Maar het is te makkelijk om daar de hele verklaring te laten stoppen. Weggaan blijft, uiteindelijk, in de meeste gevallen een eigen keuze. Al besef ik dat dat woord voor sommigen te licht klinkt. Wie vertrekt na diep kwetsend gedrag, na misbruik, of na jarenlange uitsluiting, ervaart dat zelden als een vrije keuze: het voelt eerder als een noodzakelijke vlucht, om zichzelf en zijn geestelijke welzijn te beschermen. Dat onderscheid wil ik niet wegmoffelen. Maar het verandert niets aan waar onze verantwoordelijkheid ligt: hoe zwaarder de omstandigheden voor iemand waren, hoe dringender onze taak om er zelf nooit de reden van te zijn.
Ik denk dat onze taak, als kerk en als gezin, uit twee dingen bestaat. Eerst: zorgen dat wíj niet de reden zijn. Dat we niemand wegduwen door onze eigen kortzichtigheid, ons eigen ongeduld, onze eigen angst om het antwoord niet te weten. En daarna: de ander zoveel mogelijk inzicht geven, zodat hij of zij een weloverwogen keuze kan maken: geen keuze op basis van halve informatie of oud zeer, maar een eerlijke, volwassen keuze. En wat er ook uit voortkomt: laten weten dat de liefde blijft, onvoorwaardelijk, hoe die keuze ook uitvalt.
Dat is, denk ik, het enige dat ik Lucas nog kan geven. Niet het antwoord. Niet de kerk. Gewoon: dat hij weet dat de deur open blijft, en dat hij, wat hij ook kiest, mijn zoon blijft — met heel mijn hart.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

