Redelijk Gelovig: geloven in een seculiere wereld

Had Satan zelf een satan nodig?

H

Kort samengevat

Keuzevrijheid heeft echte alternatieven en oppositie nodig. Maar daaruit volgt niet dat Satan noodzakelijk was voor Gods plan. Satan had zélf al keuzevrijheid nodig om Satan te kúnnen worden. Onze keuzevrijheid komt dus niet van hem. Ze komt voort uit God, die zijn kinderen werkelijk vrij heeft geschapen. En dat verandert ook hoe we naar de macht van de tegenstander kunnen kijken.

Er zijn van die gesprekken die me lang bijblijven. Iemand zit tegenover me, wil veranderen, wil zich bekeren van iets dat al lang meesleept — en zegt dan, half verontschuldigend: ‘Ik kan er gewoon niet tegenop. Hij is te sterk.’ Alsof Satan een tegenstander is met wie we in een eerlijk gevecht zitten, en wij toevallig de zwakste in de ring. Ik heb altijd het gevoel gehad dat dat beeld niet klopt. Onlangs vond ik er woorden voor.

Ik scrolde door Instagram en bleef hangen bij een reel over keuzevrijheid. Onder de video stond een reactie die me deed stilvallen: iemand verwees naar een artikel van Grant Arnold, een legerkapelaan die ook theologisch publiceert via Brigham Young University. Zijn stelling: Satan was nooit noodzakelijk voor het heilsplan. Mijn eerste reactie was: wacht, wat? Heb ik dat al die jaren verkeerd begrepen? Ik las het artikel. En het bracht me uiteindelijk bij een vraag die er zelf niet zo stond, maar die volgens mij het hart van de zaak raakt. Een vraag die me meteen terugbracht naar al die gesprekken waarin iemand zegt: ‘Hij is te sterk.’

Een vers, geen eenvoudig bewijs

Leer en Verbonden 29:39 is de tekst waarop de klassieke lezing meestal steunt: de duivel moet de mensen verzoeken, ‘anders zouden zij niet naar eigen believen kunnen handelen’. De redenering lijkt eenvoudig: geen verzoeking, geen echte keuze; geen echte keuze, geen keuzevrijheid; dus is Satan een noodzakelijk onderdeel van Gods plan. Klinkt logisch. Ik heb het zelf ooit zo onderwezen.

Maar er zit een belangrijk onderscheid in dat ik vroeger onvoldoende maakte. Dat er oppositie nodig is om werkelijk te kunnen kiezen, betekent nog niet dat er noodzakelijk een persoon Satan moet bestaan. Dat eerste is stevig verankerd in onze Schrift. Lehi zegt heel uitdrukkelijk dat er ‘een tegenstelling in alle dingen’ moet zijn (2 Nephi 2:11). Vrijheid zonder alternatieven is uiteindelijk geen echte vrijheid. Om voor het goede te kunnen kiezen, moet er ook iets anders mogelijk zijn. Maar ‘er moet oppositie bestaan’ is niet hetzelfde als ‘er moest één van Gods kinderen Satan worden’. Dat onderscheid verandert voor mij veel.

Leer en Verbonden 29:39 kun je bovendien ook lezen vanuit die bredere noodzaak van beproeving en tegenstelling. Het woord ‘verzoeken’ hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat de persoon Satan de oorsprong van onze keuzevrijheid is. De beslissende vraag wordt dan niet: hebben we oppositie nodig? Daarover lijkt mij weinig discussie mogelijk. De vraag wordt: hadden we Satan nodig? En daar begint het voor mij interessant te worden.

Een plan dat afhankelijk is van Satans val?

Stel dat Satan werkelijk noodzakelijk is. Niet alleen oppositie, niet alleen de mogelijkheid om verkeerd te kiezen, maar Satan zelf. Dan betekent dat dat het heilsplan alleen kan functioneren wanneer één van Gods kinderen daadwerkelijk in opstand komt en een tegenstander van God wordt. Dat roept minstens een ongemakkelijke vraag op: kan een plan dat voortkomt uit volmaakte liefde werkelijk afhankelijk zijn van de val en uiteindelijke ondergang van één van Gods kinderen?

Ik zou daar voorzichtig mee willen zijn. Het is uiteraard mogelijk dat God, in zijn voorkennis, wist welke keuzes Lucifer zou maken en vervolgens zelfs diens rebellie binnen zijn grotere plan kon gebruiken. God kan uit kwaad iets goeds voortbrengen zonder dat het kwaad daarom goed wordt. Dat zien we op verschillende plaatsen in de heilsgeschiedenis. Maar dat is iets anders dan zeggen dat Lucifer móést vallen omdat het plan anders niet kon werken. Misschien gebruiken we hier soms twee ideeën alsof ze hetzelfde zijn: dat God Satans tegenstand kan gebruiken, en dat God Satans tegenstand noodzakelijk heeft. Dat eerste lijkt mij evident. Dat tweede veel minder.

Het Duizendjarig Rijk maakt dat onderscheid nog interessanter. Tijdens die periode wordt Satan gebonden en heeft hij geen macht om mensen te verzoeken (LV 88:110). Toch worden er kinderen geboren. Ze groeien op, leren, handelen en blijven personen met een eigen wil. De Schriften zeggen zelfs dat zij ‘zonder zonde’ zullen opgroeien (LV 45:58). Keuzevrijheid verdwijnt dus niet wanneer Satans macht om te verzoeken verdwijnt. Dat betekent niet dat alle oppositie verdwenen is of dat wij daarom precies weten hoe keuze en ontwikkeling tijdens het Millennium zullen functioneren, maar één ding lijkt mij moeilijk vol te houden: dat de persoonlijke activiteit van Satan noodzakelijk zou zijn om keuzevrijheid überhaupt mogelijk te maken. Dit is precies waar het verschil tussen ‘gebruikt’ en ‘nodig’ concreet wordt: het Millennium is het geval waarin het plan daadwerkelijk zonder Satan functioneert. Als het toen kan, was het nooit een logische voorwaarde — hooguit een gegeven waar God, in zijn voorkennis, rekening mee hield.

En dan komen we bij de vraag die voor mij uiteindelijk veel eenvoudiger is.

Wie leerde Satan kiezen?

Als keuzevrijheid pas ontstaat dóór Satans verzoeking, hoe kon Satan zelf dan ooit kiezen om te gaan verzoeken? Denk het even helemaal door. Vóór de opstand in de hemel was er geen Satan zoals wij hem nu kennen. Er was Lucifer, een geestkind van God. Tijdens de grote hemelse raad stond hij voor een werkelijke keuze: het plan van de Vader aanvaarden, met Christus als Verlosser, of zich ertegen verzetten.

Lucifer trad naar voren met een ander voorstel. Hij zou het gehele mensdom verlossen, zodat niemand verloren zou gaan, maar hij verlangde daarvoor Gods eer (Mozes 4:1). God zegt vervolgens over hem dat hij ‘trachtte de keuzevrijheid van de mens te vernietigen’ (Mozes 4:3). Maar precies daar zit voor mij de paradox: Lucifer koos ervoor om de keuzevrijheid van anderen te willen afnemen. Niemand verleidde Lucifer om Lucifer te worden. Niemand moest eerst de rol van ‘Satan voor Satan’ spelen zodat hij tussen gehoorzaamheid en rebellie kon kiezen. Hij nam zelf een beslissing, met een keuzevrijheid die hij blijkbaar al bezat voordat hij de tegenstander werd.

En hij was niet de enige. Andere geestkinderen kozen Christus te volgen of kozen Lucifer te volgen. Keuzevrijheid functioneerde dus al in het voorsterfelijke bestaan. Dat maakt de redenering voor mij bijzonder eenvoudig: de keuze die van Lucifer Satan maakte, werd zelf gemaakt met een keuzevrijheid die bestond vóór er een Satan was die iemand kon verzoeken. Dus kan Satan onmogelijk de bron van onze keuzevrijheid zijn. Je kunt moeilijk noodzakelijk zijn voor het ontstaan van iets dat je zelf al nodig had om te worden wie je bent. Dat is voor mij geen spitsvondigheid. Het is juist de vraag waardoor alles op zijn plaats begon te vallen.

Oppositie is niet hetzelfde als Satan

Misschien zit daar ook de oplossing voor de schijnbare tegenstelling tussen verschillende teksten. Ja, keuzevrijheid vereist echte mogelijkheden. Lehi heeft gelijk wanneer hij leert dat er tegenstelling moet zijn. Goed betekent weinig wanneer kwaad principieel onmogelijk is. Gehoorzaamheid zonder de mogelijkheid van ongehoorzaamheid is geen gehoorzaamheid maar programmering. Maar daarom hoeven we Satan nog niet tot een noodzakelijke pijler van Gods plan te maken.

De mogelijkheid van kwaad is niet hetzelfde als Satan. Oppositie is niet hetzelfde als Satan. Verleiding is niet hetzelfde als Satan. En keuzevrijheid is al helemaal niet afkomstig van Satan. Satan heeft geen fundamenteel onderdeel aan Gods plan toegevoegd dat God zelf niet kon voorzien. Hij heeft gebruikgemaakt van een vrijheid die er al was. Hij koos ervoor zich tegen God te keren en probeert sindsdien anderen ervan te overtuigen hetzelfde te doen. Dat maakt hem een tegenstander. Het maakt hem niet tot een noodzakelijke mede-architect van het heilsplan.

Het is trouwens veelzeggend dat, telkens wanneer kerkleiders hebben onderwezen dat ‘oppositie’ of ‘verzoeking’ nodig is, ze het steeds over dat begrip zelf hebben — nooit over Satan als persoon die daarvoor onmisbaar zou zijn. Ook zij maakten, blijkbaar vanzelfsprekend, hetzelfde onderscheid.

Waar komt onze vrijheid dan wél vandaan?

Voor mij is het antwoord uiteindelijk veel mooier: uit God zelf. Zowel Christus als Lucifer konden in de hemelse raad antwoorden omdat God zijn kinderen blijkbaar werkelijk in staat had gesteld te kiezen. Christus antwoordde: ‘Vader, uw wil geschiede, en de heerlijkheid zij voor eeuwig de uwe’ (Mozes 4:2). Lucifer koos anders. De vrijheid was er voor beiden vóórdat een van hen zijn uiteindelijke rol koos.

En misschien zegt dat iets heel wezenlijks over God. Hij wilde geen marionetten. Hij wilde kinderen. Wezens die werkelijk konden liefhebben, en daarom ook werkelijk konden weigeren lief te hebben. Die konden gehoorzamen, en daarom ook ongehoorzaam konden zijn. Die naar Hem konden terugkeren, juist omdat ze ook van Hem konden weglopen. Dat maakt keuzevrijheid riskant. Voor ons, maar in zekere zin ook voor God: wie iemand werkelijk vrijlaat, aanvaardt dat die vrijheid ook tegen hem gebruikt kan worden. Lucifer deed precies dat. Maar zijn rebellie heeft onze vrijheid niet geschapen. Ze was er al.

‘Hij is te sterk’

En dan kom ik terug bij de gesprekken waarmee ik begon, bij iemand die tegenover me zit en zegt: ‘Ik kan er gewoon niet tegenop. Hij is te sterk.’ Misschien geven we Satan soms onbewust méér theologisch gewicht dan hij verdient. Alsof God aan de ene kant staat, Satan aan de andere kant, en wij ergens tussen beide machten moeten proberen overeind te blijven. Een soort kosmisch touwtrekken waarbij we maar moeten hopen dat de goede kant uiteindelijk iets harder trekt.

Maar dat is niet het beeld dat ik hieruit overhoud. Satan is niet Gods gelijkwaardige tegenstander. Hij is niet de mede-architect van Gods plan. Hij is zelfs niet degene die onze mogelijkheid tot kiezen heeft geschapen. Hij is zelf een kind van God dat zijn keuzevrijheid verkeerd heeft gebruikt. En dat vind ik, vreemd genoeg, buitengewoon hoopgevend. Want tegenover zijn invloed staat niet alleen onze eigen beperkte wilskracht. Daar staat de verzoening van Christus tegenover. Genade. Bekering. Een God die ons vrijheid gaf en tegelijk een weg voorzag om onze verkeerde keuzes niet het laatste woord te laten hebben.

Satan kan verleiden. Hij kan liegen. Hij kan ontmoedigen. Hij kan proberen ons ervan te overtuigen dat veranderen zinloos is. Maar hij kan onze keuzevrijheid niet afnemen. Dat was ironisch genoeg precies wat hij vanaf het begin wilde.

En nu?

Dit soort denkoefening verandert niets aan de opdracht die ik morgen heb. Ik moet nog altijd proberen het goede te kiezen. Ik blijf vatbaar voor verleiding. Ik maak fouten. Ik heb bekering en de genade van Christus nodig. Maar het verandert wel hoe ik kijk naar iemand die zegt dat hij of zij het niet aankan.

Ik denk dan minder aan een gevecht tussen twee ongeveer gelijkwaardige machten, waarbij Satan misschien net iets sterker is. Ik denk aan een plan dat al bestond vóór Lucifer ertegen in opstand kwam. Een plan dat gebouwd is op de liefde van God, op werkelijke vrijheid en op een Heiland die vrijwillig zei: ‘Uw wil geschiede.’ En een tegenstander? Die koos er zelf voor tegenstander te worden.

Dus wanneer je de volgende keer denkt dat Satan te sterk is, kun je jezelf misschien een merkwaardige maar verrassend fundamentele vraag stellen: had Satan zelf dan ook een satan nodig?


Ontdek meer van GeensZins

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

0 0 stemmen
Artikel waardering
Abonneer
Laat het weten als er

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Oudste
Nieuwste Meest gestemd
Redelijk Gelovig: geloven in een seculiere wereld