‘Wie in zijn geloof kracht en inspiratie vindt om het goede te doen, verdient respect,’ schreef Bart Eeckhout vorige week in De Morgen, bij het overlijden van Roger Vangheluwe. Een mooie zin. Maar in exact dezelfde alinea trekt hij een radicale conclusie: kerk en paus, en bij uitbreiding elk religieus instituut, hebben zoveel moreel gezag verloren dat ze ook het recht verliezen om mee te spreken over hoe wij onze samenleving vormgeven. ‘Dat is maar goed ook,’ besluit hij.
Het zijn twee zinnen na elkaar die elkaar fundamenteel tegenspreken. Want wat betekent ‘respect voor geloof’ als je de maatschappelijke vertaling en organisatie van dat geloof bij voorbaat uitsluit van het publieke debat? Blijkbaar kijkt niemand hier nog van op.
Laat me eerst zeggen waar Eeckhout gelijk in heeft, want dat verdient geen enkele nuance. Wat Vangheluwe zijn neefjes heeft aangedaan, en wat ontelbare andere slachtoffers van geestelijken wereldwijd hebben doorstaan, is door de katholieke kerk als instituut decennialang toegedekt, geminimaliseerd en weggewuifd. Dat is geen kwestie van interpretatie. Dat is gewoon wat er gebeurd is. Er kan nooit genoeg aandacht, erkenning en herstel gegeven worden aan wie dat heeft moeten ondergaan.
Maar dan die sprong. Van ‘de katholieke kerk heeft als instituut zwaar gefaald’ naar ‘geloof heeft dus geen stem meer te verdienen in het publieke debat’ is een sprong van een heel andere orde. Het is precies die intellectuele kortsluiting die we moeten ontleden, want ze berust op een fundamenteel misverstand over het onderscheid tussen een specifiek instituut en de bredere categorie van het geloof zelf.
Geloof is meer dan één falend instituut
Wat hier faalde, was niet louter één man die toevallig zijn eigen boodschap verraadde. Het waren leiders van de katholieke kerk zelf, die structureel de eigen reputatie boven de veiligheid van kinderen plaatste. Die vaststelling verdient geen enkele relativering.
Exact daar zit echter Eeckhouts fout: hij maakt een dubbele categoriefout. Hij springt van het falen van één specifieke instelling naar álle religieuze instituten, en vervolgens van die instituten naar het concept ‘geloof’ in zijn algemeenheid.
Vergelijk het met wat aan het licht kwam bij de Boy Scouts of America, of bij USA Gymnastics in de misbruikzaak rond Larry Nassar. In beide gevallen ging het om organisaties die decennialang wisten, toedekten en daders beschermden om de eigen instelling te vrijwaren. Niemand trekt daaruit de conclusie dat scouting of jeugdsport als zodanig geen bestaansrecht meer heeft, of dat geen enkele jeugdbeweging nog iets zinnigs over opvoeding mag zeggen. We veroordelen de rotte organisatie, terecht en hard, zonder de waarde te ontkennen van wat scouting of sport voor een kind betekenen. Sterker nog, die schandalen hebben bij talloze ándere jeugdorganisaties net geleid tot een scherpere focus op kinderbescherming, niet tot de conclusie dat jeugdwerk zelf verdacht is. Omwille van de Pravda moeten we De Morgen toch niet verbieden?
Dat onderscheid raakt kwijt in de vlaag van begrijpelijke verontwaardiging. Geloof en het christendom zijn geen synoniemen voor die ene katholieke instelling, en al helemaal niet voor haar vele goede leden. Het zijn brede categorieën met een enorme diversiteit aan gemeenschappen en tradities die losstaan van deze specifieke geschiedenis. Wie de structurele fout van één instituut gebruikt om een hele categorie de mond te snoeren, doet aan intellectuele uitsluiting. Ook de katholieke kerk is groter dan de falende leiders en daders.
Waarom een morele monocultuur gevaarlijk is
Als we aannemen dat morele autoriteit nog maar uit één hoek mag komen, of dat er in de arena van de samenleving nog maar één seculiere moraliteit mag meetellen, zetten we de deur open voor een gevaarlijke monocultuur. De geschiedenis leert dat zo’n ‘pensée unique’ – of het nu verpakt zit in een staatsgodsdienst of in een dwingend seculier regime – elke vorm van pluralisme verstikt. Een samenleving zonder gedeelde moraliteit bestaat niet. De vraag is niet óf er morele waarden mogen zijn, maar hoe we die samen vormgeven. Juist daar zou diversiteit ons uitgangspunt moeten zijn, niet de uitsluiting van religieuze stemmen.
Wat ons vandaag kwetsbaar maakt als samenleving, is immers niet een teveel aan gedeelde moraliteit, maar een tekort. We dreigen te veranderen in een verzameling van individuen die enkel naar de eigen autonomie kijken en de persoonlijke maatstaf als enige norm nemen. Samenleven vraagt om gemeenschap, verbindende kracht en gedeelde waarden. Religie heeft, ondanks alles wat er historisch is misgegaan, voor miljoenen mensen nog steeds dat potentieel.
Een waarschuwing voor elke leider
Ik schrijf dit niet als een afstandelijke toeschouwer. Als bisschop binnen een heel andere religieuze traditie dan de katholieke hiërarchie draag ik zelf verantwoordelijkheid. Juist daarom raakt deze discussie me dubbel. Ik weet wat er van een leider gevraagd wordt, en ik zie de dynamiek binnen een geloofsgemeenschap van binnenuit. Die verantwoordelijkheid is nooit een vrijgeleide; het is een voortdurende waarschuwing. Wie een positie van spiritueel vertrouwen krijgt, verliest zijn gezag op het moment dat hij dat vertrouwen schaadt.
Het institutionele falen dat de zaak-Vangheluwe blootlegde, herinnert ons eraan dat elk instituut dat zijn eigen boodschap verraadt, verantwoording moet afleggen en radicaal moet durven veranderen. Dat is wat geloof hoort voort te brengen: gewetensonderzoek en herstel.
De leiders en de structuren van een specifieke kerk kunnen hun maatschappelijke krediet verliezen. Dat is soms pijnlijk terecht. Maar het geloof zelf, als levende bron van inspiratie om het goede te doen, verliest die waarde niet mee. Wie dat beweert, verwart de schaduw van een falende organisatie met het licht van de boodschap zelf.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

