Overtuigen, niet overheersen: een antwoord aan Stine Jensen
Kort samengevat
Stine Jensen heeft gelijk dat christelijk nationalisme gevaarlijk is. Maar haar kritiek schuift op van een radicale ideologie naar religieuze aanwezigheid in het publieke debat als zodanig. De echte grens ligt niet tussen geloof en ongeloof, maar tussen overtuigen en overheersen. Wie argumenten aanreikt die iedereen kan wegen, tegenmacht aanvaardt en andersdenkenden als volwaardige burgers behandelt, mag voluit vanuit zijn geloof spreken, ook als het over mijn eigen kerk gaat. Het beste tegengif tegen christelijk nationalisme is niet minder geloof in het debat, maar beter religieus engagement. En naast Jensens luidkeels humanisme zet ik een plicht tot luidop nadenken, voor gelovigen en ongelovigen samen.
In haar column van 25 september waarschuwt Stine Jensen voor het oprukkende christelijk nationalisme in de Verenigde Staten. Ze doet dat aan de hand van Jared Huffman, het enige lid van het Huis van Afgevaardigden dat openlijk zegt niet in God te geloven. Op de kern heeft ze gelijk: christelijk nationalisme is een reëel gevaar. Als Europeaan is het lastig te begrijpen hoe diep religie daar in het dagelijkse leven zit. Toen ik er decennia geleden rondliep, bepaalde de vraag naar welke kerk je ging soms meer je status dan wat je verdiende of waar je vandaan kwam. Welke kerk het was, deed er nauwelijks toe, als je maar ging.
Kerkgang was er vaak sociale identiteit, geen gewetensonderzoek. Huffman noemt dat ‘christian privilege’: christen-zijn als voorsprong in de samenleving. Het is geloof als identiteitsmerk, niet noodzakelijk als uitnodiging tot nadenken. Jensen haalt filosoof Julian Baggini aan, die opmerkte dat een homoseksuele president in Amerika waarschijnlijker is dan een atheïstische. Dat zegt genoeg.
Jensen ziet ook het onderscheid dat ertoe doet. Ze citeert religiewetenschapper Kelsey Hanson Woodruff, die waarschuwt dat christelijk rechts de definitie van christen-zijn versmalt om het geloof toe te eigenen voor één radicale politieke flank. En ze betrapt zichzelf eerlijk op antireligieuze reflexen. Dat waardeer ik.
Waar het wringt
Toch schuift haar tekst ongemerkt op. Tussen haakjes omschrijft ze christelijk nationalisme als ‘het vermengen van christendom en politiek’. Het is maar een tussenzin, maar wel een veelzeggende. Met zo’n omschrijving komt elke christen die vanuit zijn geloof politiek handelt gevaarlijk dicht bij het etiket nationalist, van Martin Luther King tot de christendemocraten die na de oorlog Europa mee opbouwden.
Jensen schrijft over Amerika, en daar is haar klacht over de ‘veel te grote invloed’ van religie in het publieke domein goed te begrijpen. Maar haar kritiek blijft niet aan de overkant van de oceaan. Ze ergert zich eraan dat het politieke christendom weer ‘bon ton’ is, en ze reageert op een debat dat vooral bij ons gevoerd wordt: dat over seculier zijn en leegte. Daar verschuift haar kritiek van een radicale politieke ideologie naar religieuze aanwezigheid als zodanig, en daar kan ik haar niet meer volgen.
Veelzeggend is ook haar passage over Barack Obama. Hij noemt zichzelf christen, maar Jensen vermoedt dat hij ‘óók humanist in de kast’ is, omdat op zijn leeslijstjes een geschiedenis van het humanisme staat. Het is bedoeld als knipoog, maar het verraadt een reflex: een christen die leest en nadenkt, moet stiekem wel iets anders zijn. Alsof geloof en nieuwsgierigheid niet in hetzelfde hoofd passen.
Dat is jammer, want Jensen kent het mechanisme zelf. Ze ergert zich terecht aan het versimpelde verband tussen seculier zijn en leegte, alsof wie niet gelooft geen zin kan vinden. Gelovigen krijgen de omgekeerde karikatuur te horen: dat wie gelooft zijn verstand aan de kerkdeur afgeeft. Wie de ene karikatuur afwijst, zou de andere niet mogen gebruiken.
De grens loopt tussen overtuigen en overheersen
De echte grens loopt niet tussen geloof en ongeloof, en ook niet tussen religie en politiek. Ze loopt tussen overtuigen en overheersen. Religieuze overtuigingen mogen het publieke debat beïnvloeden. Meer nog: het zou vreemd zijn gelovigen te vragen hun diepste morele overtuigingen thuis te laten zodra ze een stemhokje, parlement of opiniestuk binnenstappen. Politiek gaat over opvattingen over mens, samenleving, verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid en goed leven. Natuurlijk spelen levensbeschouwingen daarin mee.
Wat niet mag, is dat religieuze autoriteit zich met staatsmacht vereenzelvigt. Een kerk mag niet dicteren wat de staat moet doen omdat zij beweert namens God te spreken. Een religieuze meerderheid mag haar bijzondere geloofswaarheden niet opleggen aan burgers die die overtuigingen niet delen. Maar dat is iets heel anders dan religie te veel invloed toeschrijven zodra gelovigen zich luidop in het publieke debat mengen.
Dat onderscheid lijkt eenvoudig, maar het is dat niet. Ook christelijke nationalisten zullen zeggen dat ze alleen maar hun overtuigingen verdedigen. Daarom zijn er toetsstenen nodig.
Drie toetsstenen
Wie vanuit zijn geloof politieke invloed uitoefent, moet minstens drie grenzen respecteren. De eerste is dat voorstellen uiteindelijk verdedigd moeten kunnen worden met argumenten die ook mensen buiten het eigen geloof kunnen wegen. ‘God wil het zo’ kan voor een gelovige een doorslaggevend persoonlijk argument zijn, maar is geen voldoende reden om een wet aan alle burgers op te leggen.
De tweede grens is dat wie invloed wil, ook tegenmacht moet aanvaarden: een vrije pers, onafhankelijke rechters, een parlementaire oppositie en verkiezingen die je kunt verliezen. Wie democratie alleen verdraagt zolang de eigen overtuiging wint, verdedigt geen democratie maar macht.
De derde grens is dat ook wie fundamenteel anders leeft of denkt, een volwaardige burger blijft. Religieuze overtuiging geeft niemand het recht om andersdenkenden hun burgerlijke gelijkwaardigheid te ontzeggen. Een samenleving waarin alleen mensen met de ‘juiste’ geloofsovertuiging volledig meetellen, is geen pluralistische democratie meer.
Wie deze grenzen respecteert, mag voluit vanuit zijn geloof spreken. Wie ze loslaat, probeert niet langer te overtuigen, maar te overheersen.
Habermas en de religieuze stem
De eerste toets leen ik gedeeltelijk van Jürgen Habermas, die zichzelf religieus ‘onmuzikaal’ noemde. Habermas vindt dat gelovigen in de publieke ruimte gerust vanuit hun eigen religieuze taal mogen spreken. Van hen eisen dat ze hun geloof eerst uitkleden voor ze politiek mogen participeren, zou een oneerlijke last zijn. Maar zodra argumenten de basis worden voor bindende politieke beslissingen, moeten ze vertaalbaar zijn in redenen die ook burgers zonder dat geloof kunnen beoordelen. Die vertaling is bovendien niet alleen de verantwoordelijkheid van gelovigen. Ook seculiere burgers moeten bereid zijn te luisteren naar morele inzichten die uit religieuze tradities voortkomen.
Dat laatste wordt soms vergeten. Habermas zag in ons egalitaire universalisme, met vrijheid, gewetensmoraal en mensenrechten, mede het erfgoed van de joodse rechtvaardigheidsethiek en de christelijke liefdesethiek. Griekse filosofie, Romeins recht, renaissance, humanisme en Verlichting waren evengoed bepalende bronnen. De westerse democratie heeft niet één vader of moeder. Maar doen alsof religie alleen ballast uit het verleden is en niets wezenlijks heeft bijgedragen aan onze morele taal, is historisch moeilijk vol te houden.
Ernst-Wolfgang Böckenförde formuleerde een verwante gedachte: de vrije staat leeft van voorwaarden die hij zelf niet kan garanderen. Democratische instituties kunnen vrijheid beschermen, maar ze kunnen burgers niet dwingen om die vrijheid verantwoordelijk te gebruiken. Vertrouwen, geweten, solidariteit en burgerzin moeten ergens vandaan komen. Religie is één van die bronnen, naast cultuur, opvoeding, filosofie en andere vormen van maatschappelijke verbondenheid. De interessante vraag is dan niet hoeveel religie het publieke debat verdraagt, maar welke religieuze bijdragen onze democratie versterken en welke haar bedreigen.
Wetenschap beslist niet alles
Neem het debat over de verlenging van de abortustermijn. Ik neem hier geen standpunt in over de termijn zelf. Mijn punt is een ander: de wetenschap kan veel zeggen over pijnprikkels, ontwikkeling en levensvatbaarheid, maar geen labo beslist welke morele betekenis we aan die feiten geven. Wetenschap kan feiten beschrijven, gevolgen onderzoeken en risico’s berekenen, maar uiteindelijk blijft er een normatieve vraag over: wat vinden we juist, rechtvaardig of menswaardig?
Daarvoor zijn we aangewezen op morele reflectie. Filosofische tradities doen dat al eeuwenlang, religieuze tradities eveneens. Een argument moet beoordeeld worden op zijn inhoud en redelijkheid, niet op de vraag of de spreker op zondag naar een kerk gaat.
Dat maakt religieuze tradities niet onfeilbaar. Ze hebben ernstig gefaald, bij slavernij, heksenvervolging, antisemitisme en rassenscheiding. Maar de correctie kwam ook van binnenuit. William Wilberforce bestreed de slavenhandel vanuit zijn geloof. Martin Luther King bestreed de rassenscheiding met een expliciet christelijk moreel vocabularium. En de wetenschap heeft haar eigen donkere dossiers. Eugenetica werd ooit met wetenschappelijke autoriteit verdedigd als middel om de bevolking te ‘verbeteren’. Vandaag beschouwen we dat terecht als diep onethisch. Toch besloot niemand dat wetenschap daarom uit het publieke debat moest verdwijnen. Fouten uit het verleden zijn een reden om instituties kritisch te onderzoeken, geen argument om een hele bron van morele reflectie het zwijgen op te leggen.
Ook voor mijn eigen kerk
Die toetsstenen gelden ook voor mijzelf. Mijn eigen kerk, De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, verklaart zich neutraal tegenover partijen en kandidaten, maar moedigt haar leden uitdrukkelijk aan om te stemmen, deel te nemen aan het publieke leven en zelfs politieke functies op te nemen. Dat is niet zonder spanning.
In 2008 voerden leden in Californië op verzoek van hun kerkleiders campagne voor Proposition 8, een grondwetswijziging die het huwelijk beperkte tot man en vrouw. Veel lezers zullen zeggen dat dit precies mijn derde toetssteen schendt. Ik begrijp die kritiek en wil ze niet wegpoetsen. Toch sta ik achter het principe dat een kerk zich mag uitspreken over wetgeving die morele kwesties regelt, en dat ze haar leden daarover mag adviseren. Vakbonden, werkgeversorganisaties en humanistische verenigingen doen dat ook, bij euthanasie, onderwijs of arbeidsrecht. Wat een huwelijk is, is zo’n morele kwestie, waarover burgers van goede wil van mening verschillen over wat gelijkwaardigheid precies vraagt.
De toets ligt dus niet in het feit dat een kerk zich uitspreekt, maar in wat er daarna gebeurt. Een kerk mag adviseren, maar geen gehoorzaamheid eisen in het stemhokje. En ze moet het resultaat van de democratische en rechterlijke weg aanvaarden, ook als dat tegen haar ingaat. Proposition 8 werd in 2010 door een federale rechter ongeldig verklaard, en dat oordeel bleef in 2013 na een uitspraak van het Hooggerechtshof overeind. De kerk heeft dat aanvaard. In 2015 steunde ze in Utah een wet die homo’s en lesbiennes beschermt tegen discriminatie op het werk en op de woningmarkt, gekoppeld aan bescherming van godsdienstvrijheid. In 2022 steunde ze de Respect for Marriage Act, die het burgerlijk huwelijk van koppels van hetzelfde geslacht federaal verankert. Haar leer over het huwelijk is niet veranderd. Wel erkent ze dat in een pluralistische democratie niet elke eigen morele overtuiging wet hoeft te worden, en dat andersdenkenden volwaardige burgers blijven.
Jensen schrijft dat kritiek van christenen die zich tegen christelijk nationalisme verzetten hard nodig is. Daarmee ben ik het eens. Negen dagen voor haar column klonk zo’n stem. In een toespraak in de National Cathedral in Washington legde kerkpresident Dallin H. Oaks de nadruk op verzoening, pluralisme en constitutionele beperkingen. Jonathan Rauch, senior fellow aan het Brookings Institution, las die toespraak als een kerk die afstand neemt van de cultuuroorlog en het christelijk nationalisme afwijst. Oaks zelf waarschuwde dat gelovigen er extra voor moeten waken geen totale dominantie na te streven voor al hun eigen standpunten.
Dat is precies de grens die ik bedoel. Woorden zijn geen daden, en ik blijf mijn eigen kerk langs dezelfde toetsstenen leggen als iedere andere religieuze gemeenschap: worden argumenten aangeboden of opgelegd? Wordt tegenmacht gerespecteerd? Blijft er ruimte voor burgers die anders geloven, anders denken en anders leven? Maar het toont wel dat religieuze gemeenschappen zelf kunnen leren waar de grens ligt, en dat maakt het te gemakkelijk om religie in het publieke domein vooral als bedreiging te zien.
Ook Europa heeft zijn reflexen
Ook bij ons stuit wie openlijk zegt dat zijn politieke of maatschappelijke engagement mede door zijn geloof gevoed wordt, in mijn ervaring soms op meer wantrouwen dan wie zich bewust van religie distantieert. Dat is een indruk, geen bewijs, en onze situatie is niet dezelfde als die van Huffman. Maar het spiegelbeeld is herkenbaar. In Amerika moet de atheïst soms bewijzen dat hij moreel betrouwbaar is. In Europa moet de gelovige soms bewijzen dat hij intellectueel onafhankelijk is. Beide reflexen zijn armzalig.
Ik ben christen. Ik ben ook ondernemer, vader, lezer, burger en bisschop. Mijn geloof beïnvloedt hoe ik over menswaardigheid, verantwoordelijkheid, vergeving, vrijheid en gemeenschap nadenk. Het zou vreemd zijn als iets wat ik als waar en belangrijk beschouw geen invloed had op hoe ik naar de samenleving kijk. Maar ik verwacht niet dat mijn medeburgers mijn theologie delen voordat we samen politiek kunnen bedrijven. Ik verwacht wel dat mijn argumenten dezelfde kans krijgen als die van iemand die zijn overtuigingen ontleent aan Kant, Marx, Mill, het humanisme, het liberalisme of nergens expliciet aan.
Luidop nadenken
Religie kan macht legitimeren, dat heeft de geschiedenis overvloedig bewezen. Maar religie kan macht ook begrenzen. Wie gelooft dat iedere mens een waardigheid bezit die niet door staat, markt of meerderheid wordt toegekend, heeft een taal waarmee hij juist tegen macht kan ingaan. Religie is dus niet automatisch een democratische deugd, maar een seculiere levenshouding is dat evenmin. De vraag blijft wat mensen met hun overtuiging doen.
Christelijk nationalisme wordt gevaarlijk wanneer geloof niet langer uitnodigt tot gewetensonderzoek maar wordt ingezet als legitimatie voor politieke macht, wanneer één religieuze identiteit wordt voorgesteld als voorwaarde voor goed burgerschap, en wanneer politieke tegenstanders niet langer worden gezien als mensen met wie je van mening verschilt, maar als vijanden van God of volk. Daartegen moeten christenen zich uitspreken, niet ondanks hun geloof, maar mede vanuit hun geloof.
Gelovigen die zich tegen die vermenging van religie en overheersing verzetten, horen daarom bij de oplossing, niet bij het probleem. Wie religieuze betrokkenheid als zodanig met argwaan bekijkt, maakt het moeilijker voor precies die gelovigen die van binnenuit weerstand kunnen bieden. Het beste tegengif tegen slecht religieus engagement is niet minder religie in het publieke debat, maar beter religieus engagement: een geloof dat zichzelf laat bevragen, dat macht wantrouwt, dat de waardigheid van de tegenstander beschermt, dat geen politieke partij met het Koninkrijk Gods verwart, en dat overtuigt door getuigenis en argument, niet door dwang.
Gelovigen en humanisten staan bovendien minder ver uit elkaar dan Jensens tekst soms doet vermoeden. De waarden die zij aan het humanisme toeschrijft, nieuwsgierigheid, kennis, vrijheid en menselijke waardigheid, onderschrijf ik allemaal. En ik doe dat als gelovige. De bron verschilt, de waarden veel minder. Op dat punt zijn we bondgenoten.
Ik heb veel respect voor wie zich humanist noemt. Ik vraag alleen dat een christen die leest en nadenkt niet meteen als humanist in de kast wordt gezien. Jensen, die naar eigen zeggen tegenstribbelt bij het woord ‘plicht’, eindigt met wat ze bijna een plicht tot luidkeels humanisme noemt. Ik zou er een plicht tot luidop nadenken naast zetten, voor gelovigen en ongelovigen samen. Niet om onze verschillen uit te wissen, wel om te voorkomen dat iemand het publieke domein voor zichzelf opeist.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

