Kort samengevat
Waarom ‘ik zie je terug’ voor mij niet de eigenlijke troost is bij het verlies van iemand die ik liefheb — en wat wel.
Ik heb bij de dood van mijn grootouders gehuild. Ik heb hard geweend bij het overlijden van mijn schoonmoeder, midden in de coronaperiode, toen we haar zelfs niet op de gewone manier hebben kunnen uitwuiven. En toch merk ik telkens hetzelfde: ik ga verbazend snel door mijn rouw heen. Niet omdat het verdriet niet echt is. Wel omdat er iets is dat het draagt.
De gangbare troost bij een overlijden zit meestal in één zin: ‘je ziet elkaar terug.’ Ooit, ergens, opnieuw. Ik geloof dat ook. Maar voor mij is dat niet de kern van de troost. De kern is iets kleiners, en tegelijk groters: ze zijn niet weg.
Ik praat nog met mijn grootouders. Niet als gebed — ik bid niet tot hen — maar gewoon, zoals je tegen iemand praat. Ik verwacht geen antwoord. Ik weet niet eens zeker of ze me altijd horen. Maar ik voel dat ze er nog zijn, ergens waar ik ze nu even niet kan zien. En omgekeerd heb ik het gevoel dat zij mij wél kunnen zien. Dat is een ander soort troost dan ‘later, opnieuw.’ Het is: nu al, nog steeds.
Dat is niet zomaar een gevoel dat ik erbij verzin om het draaglijk te maken. Het staat dichter bij wat we geloven over het hiernamaals dan de meeste mensen denken. In het visioen dat president Joseph F. Smith kreeg over het geestenrijk (Leer en Verbonden 138) worden overledenen niet beschreven als mensen die passief liggen te wachten tot het einde der tijden. Ze zijn bezig. Ze onderwijzen elkaar, ze gaan verder in wat ze hier op aarde begonnen zijn (vers 57). De dood is daar geen volledige stop, eerder een overstap naar een andere plek waar het werk — en het leven — gewoon doorgaat.
Ik weet wat de tegenwerping is: is dit niet gewoon een psychologisch trucje, iets dat je jezelf wijsmaakt omdat de werkelijkheid anders te hard zou zijn? Ik neem die vraag serieus, want ze is eerlijk. Maar voor mij hangt het geloof in een volgend leven niet los van de vraag waarom we hier op aarde zijn. Als dit leven een plek is om te leren en te groeien — en dat geloof ik — dan is het logisch dat groeien niet stopt op het moment dat je lichaam het begeeft. Het is geen troostprijs die ik erbij verzin om het gemis draaglijker te maken. Het is een rechtstreeks gevolg van wat ik al geloof over het doel van dit leven.
Dat perspectief geeft ook iets kleiners, maar kostbaars: de hoop dat ik mijn kinderen ooit terugzie zonder de beperkingen waarmee ze nu moeten leven. Dat is voor mij geen bijzaak. Maar het is ook niet waar dit stuk over gaat — het is gewoon een van de plekken waar dat ‘ze zijn niet weg, en het gaat verder’ voor mij het meest concreet wordt.
Ik zeg niet dat rouw daardoor verdwijnt. Verlies blijft verlies, en ik ga niet doen alsof de tranen bij mijn schoonmoeder minder waren omdat ik ergens ook geloofde dat het geen definitief afscheid was. Maar het maakt wel een verschil of je gelooft dat het stopt, of dat het een fase is. Het ene laat je alleen achter met een gemis. Het andere laat je achter met een gemis én een richting.
Waar sta jij daar zelf in, als je aan iemand denkt die je bent kwijtgeraakt? Is diegene voor jou weg, of ergens waar je nu even niet bij kan?
Dit onderwerp bespraken Isabel en ik uitgebreider in aflevering 81 van onze podcast De kast van Mormon. Je kan de aflevering hier bekijken of beluisteren:
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

