Kort samengevat
Wat gebeurt er wanneer wetenschappers onderzoeken hoe leden van een geloofsgemeenschap leven? Verschillende Amerikaanse universiteiten en onderzoeksinstellingen hebben zich de afgelopen decennia over die vraag gebogen. Hun bevindingen over leden van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen zijn opmerkelijk. En ze vertellen ons iets belangrijkers dan hoe gelovig we zijn: wat geloof kan doen met een leven.
Als bisschop en lid van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen ben ik het gewoon dat mensen vragen stellen over mijn geloof. Soms uit oprechte nieuwsgierigheid, soms met de nodige scepsis. Dat begrijp ik best. Onze kerk is in Vlaanderen relatief onbekend en wat mensen erover weten, komt niet zelden uit Amerikaanse televisieseries, documentaires of berichten op sociale media.
Onlangs kwam ik een video tegen waarin negen wetenschappelijke onderzoeken werden aangehaald die de afgelopen decennia naar de heiligen der laatste dagen zijn uitgevoerd. Onderzoeken van instellingen als Harvard, Princeton, de University of Pennsylvania, de University of Southern California en het Pew Research Center. De video presenteerde een indrukwekkende reeks cijfers over gezinnen, jongeren, kerkgang, gebed en vrijwilligerswerk. Ik ben teruggegaan naar de oorspronkelijke bronnen om te zien wat er echt staat. Het resultaat is bemoedigend.
Wetenschap kan niet bewijzen dat een kerk waar is. Maar ze kan wel laten zien welke vruchten een geloof draagt. En volgens de Bijbel is dat precies waaraan we een boom herkennen.
Opmerkelijk betrokken gelovigen
Op 22 september 2026 publiceerde het gerenommeerde Amerikaanse Pew Research Center een uitgebreid rapport onder de titel Tradition and Change Among Latter-day Saints in the U.S. Het rapport is gebaseerd op de Religious Landscape Study, een bevraging van bijna 37.000 Amerikaanse volwassenen, aangevuld met eerdere Pew-onderzoeken uit 2007, 2011 en 2014.
De resultaten zijn opmerkelijk. Van de Amerikaanse heiligen der laatste dagen zegt 72 procent dat religie zeer belangrijk is in hun leven. Maar liefst 73 procent bidt dagelijks, tegenover 44 procent van de gemiddelde Amerikaanse bevolking. En 69 procent woont minstens eenmaal per week een religieuze bijeenkomst bij. Onder alle Amerikaanse volwassenen is dat slechts 25 procent. Zelfs bij evangelische protestanten, die even vaak bidden als wij, gaat maar de helft wekelijks naar de kerk.
Nog opvallender is het beeld van wie we in de loop van ons leven worden. Bijna de helft van de heiligen der laatste dagen (48 procent) zegt dat ze in de loop van hun leven religieuzer zijn geworden en slechts 12 procent minder religieus. Bij Amerikanen in het algemeen houden die twee elkaar in evenwicht: 28 procent zegt religieuzer te zijn geworden, 29 procent minder. Bovendien zegt 58 procent van de leden dat ze spiritueler zijn geworden. Geloof lijkt bij ons niet te vervagen met de jaren, maar te groeien.
Dat is een belangrijke vaststelling in een samenleving waarin geloof steeds vaker wordt gezien als een strikt persoonlijke aangelegenheid, zonder veel invloed op de manier waarop we leven. Voor veel leden van onze kerk is religie geen overtuiging die ze op papier onderschrijven, maar iets wat ze elke dag proberen te leven.
Wat kinderen zich herinneren van hun ouders
Een ander interessant onderzoek komt van Harvard University en Baylor University. Hun Global Flourishing Study verzamelt gegevens van meer dan 200.000 mensen in 22 landen. De onderzoekers proberen te begrijpen wat mensen helpt om een betekenisvol, gezond en gelukkig leven te leiden. Ze kijken daarbij niet uitsluitend naar inkomen of gezondheid, maar ook naar menselijke relaties, zingeving, karakter en religie.
In een analyse van de Amerikaanse deelnemers, gepubliceerd door BYU-professor Justin Dyer, scoren heiligen der laatste dagen op meerdere vlakken bijzonder goed:
- 94 procent voelde zich tijdens het opgroeien geliefd door zijn moeder en 90 procent door zijn vader. Dat is ongeveer tien procentpunten meer dan bij mensen die ver van het geloof staan, en het hoogste van alle groepen in de studie.
- Slechts 8,5 procent kampt met depressie, tegenover 16 tot 19 procent bij mensen zonder religie, agnosten en atheïsten.
- 30 procent noemt zichzelf zeer gelukkig, bijna het dubbele van de groepen die verder van het geloof staan.
- 89 procent put kracht en troost uit zijn geloof.
Ik vind vooral het cijfer over de vaders opvallend. Onze kerk legt veel nadruk op het gezin. Wij geloven dat gezinsbanden een betekenis hebben die verder reikt dan dit aardse leven. Ouders worden aangemoedigd om tijd met hun kinderen door te brengen, samen te bidden, elkaar te ondersteunen en bewust aan hun onderlinge relaties te werken. Het is mooi om te zien dat die waarden terugkomen in de herinneringen van wie opgroeide in zulke gezinnen.
Natuurlijk bewijst een cijfer niet dat het geloof de oorzaak is. Maar het is een sterke aanwijzing dat wat we in onze gezinnen proberen te doen, ook echt gevoeld wordt door onze kinderen.
Geloven jongeren nog wel?
Wie vandaag over religie spreekt, krijgt bijna onvermijdelijk te horen dat jongeren er geen belangstelling meer voor hebben. Kerken lopen leeg, tradities verdwijnen en geloof zou stilaan iets van oudere generaties worden.
Daarom vind ik de resultaten van de National Study of Youth and Religion bijzonder boeiend. Dit Amerikaanse onderzoek, dat in 2001 van start ging onder leiding van socioloog Christian Smith, onderzocht hoe jongeren hun geloof beleven. Volgens de cijfers die in de video werden aangehaald, bezocht 71 procent van de jongeren uit onze kerk minstens wekelijks een kerkdienst, en bijna zeven op de tien zouden ook gaan als die beslissing volledig aan henzelf werd overgelaten. Bij protestantse en katholieke jongeren lagen die percentages aanzienlijk lager.
Een ander cijfer uit hetzelfde onderzoek maakt het concreet: 70 procent van de tieners met ouders die heiligen der laatste dagen zijn, had al minstens één religieus dienstproject of zendingsreis gedaan. Bij conservatieve protestanten was dat 34 procent. Onze jongeren gaan niet alleen naar de kerk, ze gaan ook aan de slag voor anderen.
Het onderzoek begon aan het begin van deze eeuw, maar recentere gegevens bevestigen het beeld. In een studie uit 2021 onder Amerikanen van 13 tot 25 jaar gaan jonge heiligen der laatste dagen vaker naar de kerk dan hun leeftijdsgenoten en hebben ze meer vertrouwen in georganiseerde religie. En volgens het BYU Studies-rapport van 2026 gaat 76 procent van de jongste generaties minstens maandelijks naar de kerk, meer dan in welke andere geloofsgemeenschap ook.
Een kerk waarin dienen centraal staat
Misschien vond ik het onderzoek naar vrijwilligerswerk nog wel het meest verrassend. In 2012 publiceerden onderzoekers van de University of Pennsylvania een studie naar het vrijwilligerswerk en de liefdadigheid van actieve leden van de kerk.
Ze onderzochten 2.664 kerkgaande heiligen der laatste dagen en kwamen uit op gemiddeld 427,9 uren vrijwilligerswerk per persoon per jaar. Dat is ruim acht uur per week. Ter vergelijking verwezen de onderzoekers naar een Amerikaans gemiddelde van ongeveer 48 uur per jaar. Hun eigen conclusie: heiligen der laatste dagen zijn de meest prosociale leden van de Amerikaanse samenleving.
Ruim 150 van die uren gaan naar sociale en maatschappelijke projecten via de kerk, zoals hulp aan mensen in nood. En 62 procent van de ondervraagden doet bovendien vrijwilligerswerk buiten de kerk. Het recente Pew-rapport bevestigt dat beeld: bijna driekwart van de leden deed het voorbije jaar vrijwilligerswerk, en 48 procent vindt dat de meeste mensen te vertrouwen zijn, tegenover 34 procent van alle Amerikanen.
Wie onze kerk een beetje kent, weet waarom. Ze draait grotendeels op vrijwilligers. Plaatselijke leiders, leerkrachten, jeugdleiders en talloze andere leden zetten zich onbetaald in, naast hun werk en gezin. Niet alleen voor religieuze bijeenkomsten, maar ook voor praktische hulp, begeleiding en ondersteuning van anderen.
Achter die honderden uren schuilt een beginsel dat ik graag benadruk: geloof gaat niet uitsluitend over wat we ontvangen, maar ook over wat we bereid zijn te geven. Christus leerde zijn volgelingen om elkaar lief te hebben en te dienen. Bij ons wordt dat geen mooie gedachte, maar dagelijkse praktijk.
Waarom geloof van generatie op generatie wordt doorgegeven
Een van de moeilijkste vragen voor elke geloofsgemeenschap is hoe ze haar overtuigingen kan doorgeven aan volgende generaties. Socioloog Vern Bengtson van de University of Southern California onderzocht jarenlang hoe religieuze overtuigingen worden doorgegeven binnen families. Zijn onderzoek volgde meer dan 350 gezinnen en 3.500 mensen over vier generaties en vormde de basis voor het boek Families and Faith.
Een belangrijke vaststelling was dat familiebanden een blijvende rol spelen in de religieuze ontwikkeling van kinderen. Niet alleen ouders, maar ook grootouders kunnen daarbij betekenisvol zijn. Volgens de cijfers uit de video namen ongeveer zes op de tien kinderen in de onderzochte gezinnen als volwassene de geloofsovertuiging van hun ouders over.
Het opvallendste inzicht vind ik dat warmte zwaarder weegt dan vroomheid. Kinderen nemen het geloof het vaakst over van ouders die affectie en geborgenheid combineren met een consequent voorbeeld. Vooral de band met de vader blijkt cruciaal. Dat past opvallend goed bij het cijfer van daarnet: 90 procent van de heiligen der laatste dagen voelde zich als kind geliefd door zijn vader.
Dat sluit aan bij iets waarin ik sterk geloof: we kunnen onze kinderen veel vertellen over God, maar uiteindelijk spreekt ons voorbeeld het luidst. Een geloof dat liefdevol wordt voorgeleefd, wordt het vaakst doorgegeven.
Een kerk die standhoudt
Geen enkele geloofsgemeenschap ontsnapt aan de veranderingen van onze tijd, ook de onze niet. Het Pew-rapport laat zien dat de percentages sinds 2007 wat gedaald zijn. Toen zei 83 procent dat religie zeer belangrijk was in hun leven, nu 72 procent. Wie bidt dagelijks, daalde van 82 naar 73 procent. En van wie in de kerk is opgegroeid, noemt 54 procent zich als volwassene nog altijd lid, tegenover 70 procent in 2007.
Ik zie dat niet als een reden tot zorg, maar als een uitnodiging. Want de context is veelzeggend. Onze kerk blijft een van de meest betrokken geloofsgemeenschappen van het land. De retentie ligt hoger dan bij de meeste protestantse kerkfamilies, en volgens BYU-professor Justin Dyer heeft geen enkele groep zoveel volwassenen die hun kinderreligie behouden én nog naar de kerk gaan. Bovendien groeit de kerk ook door bekeerlingen: ongeveer een kwart van de leden is erbij gekomen als volwassene, en dat aandeel ligt hoger dan bij protestanten, katholieken, joden en hindoes.
De vrijheid om te geloven houdt ook de vrijheid in om je eigen weg te kiezen. Dat is geen zwakte van het geloof, maar de kern ervan: geloof moet een persoonlijke keuze zijn. En wie de kerk verlaat, draagt vaak de liefde, dienstbaarheid en zorgzaamheid mee die hij leerde. Dat is nooit verloren.
Hoe zie ik dat in Vlaanderen?
Alle onderzoeken in dit stuk zijn Amerikaans. In de Verenigde Staten maken heiligen der laatste dagen ongeveer twee procent van de bevolking uit. In België zijn we met ongeveer zevenduizend leden veel kleiner. Voor Vlaanderen bestaan dit soort cijfers, bij mijn weten, niet. Maar ik herken veel van wat ik lees in wat ik zelf zie.
Bij ons zijn de jongeren een kleine groep, maar wie er is, is bijzonder actief. En ze zijn dat op een andere manier dan vroeger. Waar jongeren vroeger vooral binnen de kerk actief waren, zijn ze nu ook zeer actief daarbuiten. Tegelijk blijven ze zeer trouw aan de kerk en komen ze zeker elke zondag. Wat we minder zien, is hun aanwezigheid bij de activiteiten tijdens de week.
Voor mij is dat een goed teken. Onze jongeren leven hun geloof niet in een kring die zich afsluit van de wereld, maar midden in de samenleving. En ze kiezen er elke zondag opnieuw voor. In een van de meest geseculariseerde regio’s van Europa, waar weinig leeftijdsgenoten dezelfde keuze maken, zegt dat veel.
Wat bewijzen deze cijfers eigenlijk?
Deze onderzoeken tonen aan dat leden van onze kerk vaker bidden, meer vrijwilligerswerk doen en zich gelukkiger en meer geliefd voelen. Ze tonen niet aan dat onze kerk de ware kerk is. Dat laat zich niet beantwoorden door een opiniepeiling. Die overtuiging komt voor mij uit persoonlijke ervaring en getuigenis.
Maar de cijfers zijn wel een krachtige uitnodiging. Ze helpen om verder te kijken dan de karikaturen die soms over religie bestaan. Geloven wordt weleens voorgesteld als iets wat mensen beperkt, hun zelfstandigheid afneemt of hen verhindert kritisch na te denken. Maar wanneer we naar het daadwerkelijke leven van gelovigen kijken, zien we mensen die gezonder, gelukkiger en vrijgeviger leven.
Geloof moet zichtbaar worden in ons leven
Wat mij uiteindelijk het meest raakt in deze onderzoeken, zijn niet de percentages op zichzelf. Het is wat erachter schuilgaat. Kinderen die zich geliefd voelen. Jongeren voor wie geloof betekenis heeft. Volwassenen die tijd vrijmaken om anderen te helpen. Gezinnen die proberen waarden door te geven aan een volgende generatie.
Dat zijn geen exclusieve eigenschappen van de heiligen der laatste dagen. Gelukkig maar. Overal ter wereld bestaan gelovige en niet-gelovige mensen die met evenveel liefde en toewijding leven. Maar de cijfers laten wel zien dat een geloofsgemeenschap waarin mensen actief betrokken zijn, een betekenisvolle rol kan spelen in hun leven. Niet louter door wat ze geloven, maar ook door wat ze samen doen.
In het Nieuwe Testament schrijft Jakobus dat geloof zonder werken dood is. Dat is een uitspraak die me bijzonder aanspreekt. Geloof mag niet beperkt blijven tot een overtuiging in ons hoofd of een gevoel in ons hart. Het moet ook iets betekenen voor de manier waarop we leven en met anderen omgaan.
Dat is uiteindelijk de belangrijkste les die ik uit al deze onderzoeken haal. Niet dat onze kerk bovenaan een wetenschappelijke ranglijst staat. Wel dat geloof, wanneer het werkelijk wordt beleefd, meer is dan een verzameling religieuze ideeën. Het verbindt mensen. Het spoort hen aan om verantwoordelijkheid te nemen. Het helpt hen om anderen lief te hebben en betekenis te vinden in hun bestaan.
Wie zich afvraagt wat geloof kan betekenen, nodig ik graag uit om eens te komen kijken. Want de waarde van geloof laat zich misschien niet bewijzen met cijfers. Maar de vruchten ervan zijn wel degelijk te meten.
Gebruikte studies en bronnen
Pew Research Center, ‘Tradition and Change Among Latter-day Saints in the U.S.’ (22 september 2026) Jonathan Evans en Rebecca Leppert. Gebaseerd op de Religious Landscape Study 2023-24.
- Volledig rapport (webversie)
- Rapport als pdf
- Hoofdstuk over religiositeit
- Hoofdstuk over retentie en bekeerlingen
- Hoofdstuk over vrijwilligerswerk en vertrouwen
Global Flourishing Study (Harvard University, Baylor University e.a.)
- Projectpagina van Harvard
- Analyse van de Amerikaanse gegevens door Justin Dyer, Deseret News, 17 mei 2026
National Study of Youth and Religion (onder leiding van Christian Smith, gestart in 2001)
Recentere gegevens over jonge heiligen der laatste dagen
- Religion News Service, ‘How religious are Gen Z Mormons in the US?’ (2021)
- BYU Studies, ‘Latter-day Saint trends in the United States: religiousness, well-being, and retention’ (2026)
- Justin Dyer, Deseret News, 5 juni 2026
University of Pennsylvania, ‘Called to Serve: The Prosocial Behavior of Active Latter-day Saints’ (2012) Ram Cnaan, Van Evans en Daniel Curtis.
Vern Bengtson, ‘Families and Faith: How Religion Is Passed Down across Generations’ (Oxford University Press, 2013)
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

