Wat een avond met Alex Agnew me leerde over onze hemelse Vader, geloofsverlies en de kunst van het loslaten.
Kort samengevat
Een avond bij Alex Agnew bracht me onverwacht aan het denken over onze hemelse Vader. Wat gebeurt er wanneer God voor iemand van zijn voetstuk valt en die persoon zijn geloof verliest? Misschien betekent afstand nemen niet noodzakelijk dat we verder van God verwijderd raken. Misschien kunnen die ervaringen ons juist iets waardevols leren. Want Gods liefde verdwijnt nooit, ook niet wanneer wij Hem uit het oog verliezen. En misschien moeten wij als gelovigen minder proberen te overtuigen en vooral meer leren luisteren.
Gisterenavond zat ik samen met mijn jongste zoon Lucas in het Sportpaleis voor No More Heroes, de voorstelling van Alex Agnew. Dat wij samen naar Alex gaan kijken, hoeft niemand te verbazen die ons een beetje kent. Lucas en ik delen een nogal bijzondere vorm van humor, waarbij het al eens behoorlijk donker mag worden. Voor ons is die humor een manier om de ellende en de absurditeit van het leven te relativeren. Door het ongepaste uit te vergroten, houden we onszelf eigenlijk een spiegel voor. We weten heel goed dat sommige dingen niet kunnen, en net daarom kunnen we er zo hard mee lachen. Niet iedereen begrijpt die vorm van humor, en dat hoeft ook niet. Maar voor ons is het iets wat ons verbindt. Dat we samen naar Alex gingen kijken, was dus in de eerste plaats een gelegenheid om samen te lachen. Ik had alleen niet verwacht dat ik op de terugweg vooral over onze hemelse Vader zou zitten nadenken.
Wanneer helden van hun voetstuk vallen
No More Heroes (spoiler alert) is namelijk veel meer dan een aaneenschakeling van grappen. Het is ook een heel persoonlijke voorstelling over de vader van Alex, een man die voor hem altijd een held is geweest. Zoals ieder kind kende hij zijn vader vanuit zijn eigen ervaringen, de verhalen die hem verteld werden en de regels waarmee hij werd opgevoed. Maar naarmate hij meer te weten kwam over het verleden van zijn vader, ontdekte hij dat heel wat van die verhalen niet bleken te kloppen en dat zijn vader zelf lang niet altijd had geleefd volgens de principes die hij zijn zoon had voorgehouden. De man die hij zo lang op een voetstuk had geplaatst, bleek veel menselijker en feilbaarder dan hij ooit had gedacht. Zijn held viel van zijn voetstuk. Alex vertelt dat verhaal met de nodige humor, maar ook met een kwetsbaarheid die me bijzonder raakte. Zeker wanneer hij over zijn overleden vader sprak en vertelde dat hij niet gelooft dat ze elkaar ooit nog zullen terugzien, maar tegelijk hoopt dat hij daarin ongelijk heeft. Dat was voor mij misschien wel het meest aangrijpende moment van de avond. Want terwijl hij dat vertelde, dacht ik dat ik niet alleen hoop dat hij ongelijk heeft, maar ook met heel mijn hart geloof dat hij zijn vader ooit zal terugzien.
Wat me daarnaast aan het denken zette, was een andere gedachte die Alex tijdens zijn voorstelling ontwikkelde. Hij vertelde dat het achteraf bekeken misschien helemaal niet zo slecht was dat zijn vader van zijn voetstuk was gevallen. Hij is ondertussen zelf vader van een dochter, voor wie hij vandaag wellicht nog een held is. Maar hij beseft dat ook voor haar ooit het moment zal komen waarop ze ontdekt dat haar vader niet volmaakt is. En misschien moet dat moment er ook wel komen. Want kinderen kunnen niet eeuwig naar hun ouders blijven opkijken zoals ze dat deden toen ze vijf jaar oud waren. Ze moeten volwassen worden, hun eigen ideeën ontwikkelen, hun eigen fouten maken en uiteindelijk hun eigen weg vinden. Daarvoor moeten ze hun ouders ook als gewone mensen kunnen zien, met hun kwaliteiten, maar evengoed met hun tekortkomingen. Een vader hoeft niet van zijn voetstuk te vallen om minder geliefd te worden. Misschien kan een relatie net daardoor groeien naar een andere, meer volwassen vorm van liefde.
Kan God ook van zijn voetstuk vallen?
Op de terugweg begon ik me af te vragen hoe dat eigenlijk zit met onze hemelse Vader. Als gelovige kijk ik naar Hem op als een volmaakte Vader, wiens liefde oneindig is en wiens wijsheid de onze ver overstijgt. Anders dan onze aardse ouders heeft Hij geen verborgen verleden dat ooit aan het licht zal komen, geen menselijke tekortkomingen die plots ontdekt kunnen worden en geen regels waaraan Hij zichzelf niet houdt. Hij is volmaakt. Zijn liefde is onvoorwaardelijk, maar dat betekent niet dat Hij geen verwachtingen heeft of geen grenzen stelt. Integendeel, juist omdat Hij ons liefheeft, geeft Hij ons richting. Vanuit die gedachte leek de vergelijking met de vader van Alex aanvankelijk niet helemaal op te gaan. Onze hemelse Vader kan toch niet van zijn voetstuk vallen?
En toch begon ik daar wat langer over na te denken. Want voor heel wat mensen valt God wel degelijk van zijn voetstuk. Mensen die ooit heel sterk geloofden, kunnen op een bepaald moment beginnen twijfelen. Soms gebeurt dat geleidelijk, door vragen waarop ze geen bevredigend antwoord vinden. Soms door ingrijpende gebeurtenissen, door verdriet, door teleurstellingen in een geloofsgemeenschap of door het gedrag van mensen die beweren namens God te spreken. Het beeld dat ze van God hadden, begint barsten te vertonen. Wat vroeger vanzelfsprekend leek, is dat plots niet meer. En uiteindelijk kunnen ze tot de overtuiging komen dat de God in wie ze geloofden helemaal niet bestaat. Vanuit mijn eigen geloofsovertuiging betekent dat niet dat God zelf veranderd is, maar wel dat hun kijk op Hem fundamenteel veranderd is. Voor hen is Hij wel degelijk van zijn voetstuk gevallen. En ik denk dat we die ervaring ernstig moeten nemen, ook wanneer wijzelf tot een andere conclusie komen.
Maar misschien moeten we ons daarbij een andere vraag stellen. Is het werkelijk God die van zijn voetstuk valt, of is het vooral het beeld dat wij van Hem hebben gevormd? Want hoewel ik geloof dat God volmaakt is, ben ik er allerminst van overtuigd dat ons begrip van Hem dat ook is. Wij bekijken God onvermijdelijk vanuit onze menselijke ervaringen, onze opvoeding, onze cultuur en de manier waarop anderen ons over Hem hebben verteld. Sommige mensen groeien op met een beeld van een liefdevolle Vader, anderen met dat van een strenge rechter die voortdurend klaarstaat om fouten te bestraffen. En soms ontdekken mensen dat het godsbeeld waarmee ze zijn opgegroeid niet overeenkomt met wat ze zelf ervaren of met wat ze moreel juist vinden. Wanneer zo’n beeld vervolgens instort, hoeft dat niet uitsluitend negatief te zijn. Misschien was het wel een beeld dat aan herziening toe was. Misschien moeten sommige voorstellingen van God eerst van hun voetstuk vallen voordat er ruimte ontstaat voor een dieper en eerlijker begrip van wie Hij werkelijk is.
Als lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen vind ik het natuurlijk verdrietig wanneer iemand zijn geloof verliest of afstand neemt van de kerk. We geloven immers dat onze relatie met onze hemelse Vader en Jezus Christus van onschatbare waarde is. Het is dan ook begrijpelijk dat we iemand die zich van het geloof verwijdert, graag opnieuw dichter bij God zouden brengen. Maar gisterenavond stelde ik mezelf een vraag die ik niet zo snel naast me neer kon leggen: moeten we dat afstand nemen eigenlijk uitsluitend als iets negatiefs bekijken? Of zouden er, hoe vreemd dat op het eerste gezicht ook klinkt, ook positieve aspecten aan kunnen zijn?
Afstand nemen om dichterbij te komen
Die vraag bracht me bij een van de centrale beginselen van ons geloof: het heilsplan van onze hemelse Vader. Wij geloven dat we voor ons aardse leven al als geestkinderen bij Hem leefden. We waren in zijn aanwezigheid, maar moesten nog groeien en leren. Om die ontwikkeling mogelijk te maken, kregen we de gelegenheid naar de aarde te komen, een sterfelijk lichaam te ontvangen en ervaringen op te doen die we in onze vorige toestand niet op dezelfde manier konden opdoen. We zouden geconfronteerd worden met tegenstellingen, met vreugde en verdriet, met goed en kwaad, met keuzes en de gevolgen daarvan. We zouden leren door te vallen en weer op te staan. En daarvoor moesten we tijdelijk de onmiddellijke aanwezigheid van onze hemelse Vader verlaten.
In onze geloofsleer spreken we in dat verband over de geestelijke dood: de scheiding van de mens en God. Het verhaal van Adam en Eva, die de tuin van Eden moesten verlaten, geeft daar een bijzonder betekenisvol beeld van. Zij werden uit de aanwezigheid van God verdreven, maar die gebeurtenis was niet alleen een verlies. In ons begrip van het heilsplan maakte de val ook de verdere ontwikkeling van de mens mogelijk. In het Boek van Mormon verwoordt Lehi dat bijzonder kernachtig: ‘Adam viel, opdat de mensen zouden zijn; en de mensen zijn, opdat zij vreugde zullen hebben’ (2 Nephi 2:25). Zonder die stap zou er geen sterfelijk leven zijn zoals wij dat kennen, geen ervaringen met tegenstellingen en geen groei op de manier waarop onze hemelse Vader die voor ons bedoeld heeft. De afstand tot God kreeg binnen het heilsplan dus een doel. Niet omdat afstand op zichzelf iets goeds is, maar omdat ze de ruimte schept waarin we kunnen groeien.
Eigenlijk is dat niet zo verschillend van wat er gebeurt wanneer kinderen het ouderlijke huis verlaten. Als vader weet ik dat ik mijn kinderen niet kan blijven beschermen tegen alles wat het leven voor hen in petto heeft. Natuurlijk zou ik dat soms graag willen. Ik zou hen willen behoeden voor verdriet, verkeerde beslissingen en teleurstellingen. Maar als ik dat werkelijk zou kunnen, zou ik hen tegelijk iets heel waardevols ontnemen: de mogelijkheid om zelf te groeien. Ouders moeten leren loslaten, ook wanneer dat pijn doet. Ze moeten aanvaarden dat hun kinderen keuzes zullen maken die ze zelf misschien anders zouden maken. En vooral moeten ze blijven liefhebben, ook wanneer de afstand groter wordt. Misschien is het wel een van de moeilijkste opdrachten van het ouderschap: beseffen dat de liefde voor je kinderen niet betekent dat je hun leven moet blijven bepalen.
Daarmee wil ik niet zeggen dat het verlies van geloof hetzelfde is als het verlaten van de aanwezigheid van God om aan ons aardse leven te beginnen. Dat zijn twee verschillende zaken. Maar ik zie er wel een parallel in die me aan het denken zet. Als wij geloven dat onze hemelse Vader ons bewust de ruimte heeft gegeven om op eigen benen te leren staan, waarom zouden wij dan zo weinig ruimte laten aan mensen die op hun levensweg tot andere overtuigingen komen? Ook zij doen ervaringen op. Ook zij leren, groeien, zoeken naar waarheid, ontdekken wat voor hen waardevol is en proberen zin te geven aan hun bestaan. Misschien komen sommigen ooit opnieuw tot geloof, misschien ook niet. Maar ik kan moeilijk geloven dat alles wat zij onderweg meemaken daarom minder waardevol zou zijn. Het lijkt me zelfs heel goed mogelijk dat zij door hun andere levensweg inzichten ontwikkelen die ik zelf mis. Het is niet zo dat het verliezen van geloof noodzakelijk een stap is die God voor iemand heeft uitgestippeld. Wel geloof ik dat Hij een wereld heeft geschapen waarin wij werkelijk kunnen kiezen, zelfs wanneer die keuze betekent dat wij Hem afwijzen. Anders zou onze keuzevrijheid weinig meer zijn dan een illusie.
Wat we kunnen leren van wie een andere weg kiest
En precies daar ligt volgens mij een belangrijke les, zeker voor ons als gelovigen. Wanneer iemand de kerk verlaat of zijn geloof verliest, bekijken we dat soms vooral vanuit wat die persoon volgens ons kwijtgeraakt is. We maken ons zorgen, willen helpen, proberen contact te houden en hopen dat die persoon ooit terugkomt. Die bezorgdheid is vaak oprecht en komt voort uit liefde. Maar ik vraag me af of ze soms niet ook een zekere ongelijkheid in de relatie creëert. Wij beschouwen onszelf dan als degenen die iets hebben wat de ander verloren heeft. Wij willen iets aanbieden, iets uitleggen of iets herstellen. En hoewel we dat met de beste bedoelingen doen, kan dat bij de ander gemakkelijk overkomen als medelijden of zelfs als een vorm van betutteling. Alsof zijn of haar leven noodzakelijk armer is geworden en wij precies weten wat eraan ontbreekt.
Wat zou er gebeuren als we die houding omdraaien? Als we iemand die niet langer gelooft, niet in de eerste plaats benaderen met de vraag hoe we hem kunnen helpen terug te keren, maar met oprechte nieuwsgierigheid naar wat hij heeft meegemaakt? Als we niet alleen willen vertellen wat wij geloven, maar vooral willen begrijpen waarom hij anders is gaan denken? Misschien ontdekken we dan dat die persoon ons iets kan leren. Over het leven, over vrijheid, over verantwoordelijkheid, over de manier waarop geloofsgemeenschappen functioneren of zelfs over ons eigen geloof. Misschien komen we vragen tegen die we zelf te gemakkelijk uit de weg gaan. Misschien worden we geconfronteerd met ervaringen die ons dwingen om bepaalde vanzelfsprekendheden opnieuw te onderzoeken. En misschien worden we daar uiteindelijk betere mensen en zelfs sterkere gelovigen van. Niet ondanks wat die ander heeft meegemaakt, maar juist dankzij wat hij ons daarover kan vertellen.
Ik ben er steeds meer van overtuigd dat we als gelovigen helemaal niet bang hoeven te zijn om van andersdenkenden te leren. Als waarheid werkelijk waarheid is, hoeft ze geen schrik te hebben van eerlijke vragen. En als we geloven dat onze hemelse Vader ieder van ons de vrijheid heeft gegeven om zelf te ontdekken en te kiezen, dan moeten we die vrijheid ook werkelijk respecteren wanneer anderen tot conclusies komen die niet de onze zijn. Dat betekent niet dat we onze overtuigingen moeten opgeven of doen alsof alle keuzes voor ons dezelfde betekenis hebben. Het betekent wel dat we moeten erkennen dat een ander leven dan het onze niet noodzakelijk een leven zonder waardevolle inzichten is. En vooral dat we niet enkel moeten luisteren met de verborgen bedoeling iemand opnieuw tot onze overtuiging te brengen. We moeten luisteren omdat de ander iets te vertellen heeft. Omdat zijn ervaringen waardevol zijn. Omdat wij iets kunnen leren wat we nog niet wisten. Die nieuwsgierigheid moet oprecht zijn en mag niet afhankelijk worden van de vraag of iemand uiteindelijk terugkeert naar de kerk.
Tijdens die overpeinzingen kwam ook de wiskundige in mij naar boven. Ik moest denken aan fractalen, die fascinerende meetkundige structuren waarin patronen zich op verschillende schaalniveaus blijven herhalen. Een klein onderdeel vertoont telkens opnieuw gelijkenissen met het grotere geheel. Ik vind dat een mooi beeld voor het heilsplan. Onze hemelse Vader heeft ons lief en geeft ons de vrijheid om te groeien, ook wanneer dat betekent dat we afstand van Hem nemen. Wij worden vervolgens zelf ouders en krijgen de opdracht onze kinderen op dezelfde manier lief te hebben en los te laten. En misschien herhaalt dat patroon zich nog op een ander niveau, in de manier waarop wij omgaan met mensen die een andere geloofsweg kiezen dan de onze. Niet omdat die situaties volledig identiek zijn, maar omdat dezelfde beginselen telkens terugkeren: liefde, vrijheid, geduld, vertrouwen en de bereidheid om iemand zijn eigen weg te laten zoeken.
Gods liefde kent geen afstand
Maar terwijl ik daar verder over nadacht, kwam er nog een andere vraag bij me op. Verwijdert iemand die zijn geloof verliest zich eigenlijk wel van God? Mijn eerste antwoord zou zijn: in zijn eigen beleving misschien wel, maar daarom nog niet in de liefde van God. Want als Gods liefde werkelijk oneindig is, zoals ik geloof, hoe zouden wij ons daar dan ooit aan kunnen onttrekken? We kunnen besluiten niet meer in Hem te geloven. We kunnen ophouden met bidden, de kerk verlaten of zelfs boos worden op God. We kunnen ervoor kiezen niet langer naar zijn geboden te leven. Maar kunnen we daarmee ook zijn liefde laten verdwijnen? Ik geloof van niet. We kunnen de afstand tot God ervaren als bijzonder groot, maar die afstand is niet noodzakelijk dezelfde als de afstand die God tot ons bewaart. Misschien moeten we zelfs zeggen dat Hij nooit afstand van ons neemt, ook wanneer wij het gevoel hebben dat we Hem volledig kwijt zijn.
Dat betekent niet dat alle keuzes zonder gevolgen blijven, of dat onze geestelijke toestand er niet toe doet. De Schriften spreken niet voor niets over bekering, verzoening en de noodzaak om tot Christus te komen. Maar er is een fundamenteel verschil tussen de gevolgen van onze keuzes en de liefde die God voor ons heeft. Die liefde is geen beloning die we verdienen door voldoende te geloven of voldoende geboden te onderhouden. Ze is er omdat wij zijn kinderen zijn. En dat blijven we, ongeacht welke weg we inslaan. Misschien is het precies dat onderscheid dat wij als gelovigen soms te weinig benadrukken wanneer we spreken met mensen die afstand hebben genomen van hun geloof.
Ik moest daarbij denken aan de gelijkenis van de verloren zoon, een van de mooiste verhalen die Jezus volgens mij ooit heeft verteld. De jongste zoon vraagt zijn erfenis op, verlaat het huis van zijn vader en trekt de wereld in om zijn eigen leven te leiden. Hij maakt fouten, verliest zijn bezit en belandt uiteindelijk in diepe ellende. Pas dan besluit hij terug te keren. Hij verwacht geen warm welkom meer en hoopt hoogstens dat zijn vader hem als knecht wil aannemen. Maar wat gebeurt er? Zijn vader ziet hem al van ver aankomen, loopt hem tegemoet en sluit hem in zijn armen. Nog voor de zoon zijn volledige verhaal heeft kunnen doen, blijkt de liefde van zijn vader onverminderd aanwezig. Hij hoeft die liefde niet opnieuw te verdienen. Ze was er al die tijd geweest.
Wat mij bijzonder treft in die gelijkenis, is dat de zoon pas door zijn ervaringen werkelijk lijkt te ontdekken wat zijn vader voor hem betekent. Toen hij vertrok, kende hij zijn vader natuurlijk ook. Hij was bij hem opgegroeid, had van zijn bescherming genoten en had jarenlang in zijn huis gewoond. Maar misschien had hij juist door die vanzelfsprekendheid nooit ten volle begrepen hoe groot de liefde van zijn vader was. Pas nadat hij alles had verloren en terugkeerde, ontdekte hij dat die liefde niet afhankelijk was van zijn gehoorzaamheid, zijn succes of zelfs zijn aanwezigheid. Je zou dus kunnen zeggen dat hij door zijn omzwervingen, ondanks alle fouten die hij maakte, uiteindelijk een dieper inzicht kreeg in de liefde van zijn vader dan hij voordien had gehad. Hij was fysiek ver van huis geweest, maar kwam terug met een begrip van zijn vader dat hij misschien nooit zou hebben ontwikkeld als hij altijd thuis was gebleven.
En dan is er natuurlijk ook nog de oudste zoon, die vaak wat minder aandacht krijgt wanneer we deze gelijkenis bespreken. Hij was altijd bij zijn vader gebleven, had zijn plichten vervuld en was nooit weggelopen. Maar toen zijn jongere broer terugkeerde en feestelijk werd onthaald, reageerde hij met verontwaardiging. Hij begreep niet waarom zijn vader zoveel vreugde kon vinden in de terugkeer van iemand die alles had verkwist. Misschien had juist die oudste zoon nog iets belangrijks te leren over de liefde van zijn vader. Hij was al die tijd dicht bij hem gebleven, maar had daarom nog niet noodzakelijk ten volle begrepen wat er in zijn hart leefde. Dat vind ik een bijzonder confronterende gedachte. Want als gelovige identificeer ik me misschien liever met de trouwe zoon die thuisbleef, terwijl ik me zou moeten afvragen of ik de liefde van mijn hemelse Vader wel beter begrijp dan iemand die een heel andere weg heeft afgelegd.
Natuurlijk betekent dat niet dat we eerst alle mogelijke fouten moeten maken om God beter te leren kennen. Evenmin wil ik het verdriet of de moeilijkheden die met geloofsverlies gepaard kunnen gaan romantiseren. Niet iedere ervaring is goed, en niet iedere pijnlijke zoektocht leidt vanzelf tot groei. Maar ik geloof wel dat onze hemelse Vader in staat is om ook uit moeilijke ervaringen iets waardevols te laten ontstaan. Dat is voor mij een wezenlijk onderdeel van het heilsplan. Wat wij op een bepaald moment als een mislukking of als een verwijdering ervaren, kan achteraf een belangrijke stap in onze ontwikkeling blijken te zijn. Misschien ontdekt iemand die zijn geloof verliest daardoor iets over zichzelf, over anderen of over zijn vroegere overtuigingen wat hij anders nooit zou hebben ontdekt. En misschien brengt net die ervaring hem, zonder dat hij zich daarvan bewust is, dichter bij bepaalde beginselen die onze hemelse Vader ons wil leren.
Daarmee kom ik terug bij de vraag hoe wij omgaan met mensen die God van zijn voetstuk hebben laten vallen. Misschien moeten wij hen niet zozeer vertellen hoe ze opnieuw dichter bij God kunnen komen, maar hen eerst helpen beseffen dat Gods liefde nooit van hen is weggegaan. Zelfs wanneer ze daar zelf niet meer in geloven, mogen wij vanuit onze overtuiging die liefde blijven tonen. Niet door hen voortdurend te vertellen wat ze missen, maar door er voor hen te zijn. Niet door hun vragen te minimaliseren, maar door ze ernstig te nemen. Niet door hun ervaringen te beoordelen, maar door ervan te willen leren. Misschien kunnen we hun zelfs oprecht zeggen dat hun zoektocht ons iets heeft bijgebracht en dat wij door hun ervaringen zelf gegroeid zijn. Dat lijkt me een veel krachtiger boodschap dan de impliciete veronderstelling dat wij alles al weten en zij vooral nog iets van ons moeten leren.
Dat brengt me ook bij een belangrijke gedachte over de geboden van God. Ik heb al vaker gezegd dat ik niet geloof in een God van uitsluiting. De geboden zijn volgens mij geen muren die Hij heeft opgetrokken om zoveel mogelijk mensen buiten te houden, maar toegangspoorten die ons de weg naar Hem tonen. Dat betekent niet dat de geboden vrijblijvend zijn of dat we ze moeten aanpassen wanneer iemand zich er niet meer in kan vinden. Maar we mogen die geboden evenmin gebruiken om onze liefde afhankelijk te maken van de keuzes van anderen. Gods liefde is oneindig, en als wij proberen zijn voorbeeld te volgen, moet ook onze liefde die onvoorwaardelijkheid weerspiegelen. Daar hoort bovendien een grote bescheidenheid bij. Wij kunnen niet in het hart van een ander kijken en hebben dus niet het recht om over diens geloofsweg te oordelen. We kennen nooit het volledige verhaal achter iemands twijfels, ervaringen of beslissingen.
Misschien moet alleen het voetstuk verdwijnen
Misschien is dat wel de belangrijkste les die ik uit deze overpeinzingen meeneem. Als iemand zijn geloof verliest, hoeven we niet onmiddellijk klaar te staan met antwoorden, oplossingen of pogingen om de scherven van zijn vroegere godsbeeld weer aan elkaar te lijmen. Misschien moeten we eerst begrijpen waarom dat beeld gebroken is. Misschien moeten we durven erkennen dat sommige van die scherven beter niet opnieuw worden samengevoegd, omdat ze deel uitmaakten van een onvolmaakt beeld van God. En misschien kunnen wij zelf helpen om een eerlijker en rijker beeld te ontwikkelen, niet door voortdurend te spreken, maar juist door te luisteren. Als iemand ooit opnieuw naar geloof verlangt, hoop ik dat wij er zullen zijn om daarbij te helpen. Maar ook als die persoon die weg niet opnieuw inslaat, blijft onze opdracht dezelfde. Liefhebben is geen strategie om iemand terug te winnen. Het is een beginsel dat zijn waarde niet verliest wanneer de ander een andere keuze maakt.
Ik denk opnieuw aan de vader uit de gelijkenis van de verloren zoon. Hij liep zijn zoon tegemoet toen die terugkwam, maar niets in het verhaal doet vermoeden dat hij hem tijdens zijn afwezigheid minder had liefgehad. Misschien is dat het voorbeeld dat wij moeten volgen. De deur openhouden zonder iemand te dwingen erdoor te stappen. De armen openhouden zonder iemand vast te grijpen. En vooral blijven geloven in de waarde van iedere mens, ook wanneer zijn of haar levensweg heel anders verloopt dan de onze. Want wanneer wij werkelijk geloven dat iedere mens een kind van God is, dan kunnen we onmogelijk besluiten dat iemands ervaringen minder waardevol worden zodra die persoon niet langer in God gelooft.
Ik ging gisterenavond naar het Sportpaleis om samen met Lucas te lachen met een comedian die zich soms met zichtbaar plezier voorbij de grenzen van de goede smaak begeeft. Ik kwam thuis met een gedachte over onze hemelse Vader, het heilsplan en de manier waarop we omgaan met mensen die hun geloof verliezen. Dat had ik vooraf niet verwacht. Maar misschien is dat net wat ik zo mooi vind aan het leven. Dat inzichten soms opduiken waar je ze het minst verwacht, zelfs tussen de grove grappen van een comedyshow.
En wat die andere uitspraak van Alex betreft, dat hij niet gelooft zijn vader ooit terug te zien, maar hoopt dat hij ongelijk heeft: ik hoop niet alleen dat hij ongelijk heeft, ik geloof het ook met heel mijn hart. Ik geloof dat de dood niet het einde is en dat de banden van liefde verder kunnen reiken dan dit sterfelijke leven. Misschien is dat uiteindelijk wat de voorstelling en mijn overpeinzingen met elkaar verbindt. Onze aardse vaders hoeven geen helden te zijn om van onschatbare waarde te blijven. Onze hemelse Vader is voor mij wel volmaakt, maar ons beeld van Hem hoeft dat niet te zijn. Dat beeld mag groeien, veranderen en soms zelfs volledig instorten. Zijn liefde doet dat niet.
Misschien valt God dus helemaal niet van zijn voetstuk. Misschien valt alleen het voetstuk weg dat wij zelf onder Hem hebben gebouwd. En misschien ontdekken we, wanneer het stof is gaan liggen, dat Hij al die tijd veel dichterbij was dan we dachten.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

