Iemand stelde me onlangs de vraag die ik wel vaker krijg: waarom ik geloof belangrijk vind als er wetenschap is (een vraag die ik trouwens al eerder letterlijk beantwoordde op deze blog)? Als antwoord op mijn wedervraag kreeg ik geen eigen redenering, maar twee bladzijden uit een interviewboek met Etienne Vermeersch. Ik las ze twee keer. Niet omdat ik geschokt was, maar omdat ze precies de kern raken van wat er, denk ik, met het christendom is misgegaan, en wat er met het herstelde evangelie is teruggekomen.
Op die bladzijden gebeuren twee dingen. Eerst krijgt Vermeersch de vraag of er, naast slavernij, nog praktijken in de heilige teksten staan die hij onverenigbaar acht met het bestaan van God. Hij antwoordt kalm: slavernij wordt gewoon toegelaten, in het Oude Testament, in het Nieuwe Testament en in de Koran, en de kerk heeft het eeuwenlang ook effectief beoefend, tot in de negentiende eeuw. Daarna verschuift het gesprek naar iets fundamentelers: het probleem van het kwaad. Vermeersch haalt de beroemde redenering aan die via de vroege kerkvader Lactantius aan Epicurus wordt toegeschreven. Ofwel wil God het kwade wegnemen en kan het niet, dan is hij niet almachtig. Ofwel kan hij het en wil hij het niet, dan is hij niet goed. Ofwel wil hij het noch kan hij het. Ofwel wil en kan hij het allebei, en dan blijft de vraag: waarom is het kwaad er dan nog?
Het is een sterk stuk tekst. En het wordt nog interessanter als je weet wie het schreef.
Een jezuïet die nooit het volledige antwoord kreeg
Etienne Vermeersch werd niet zomaar atheïst. Hij trad als jonge man in bij de jezuïeten, volgde jarenlang een priesteropleiding in de Oude Abdij van Drongen, en verliet de orde pas na vijf jaar, ontevreden over de kerk als instituut. Hij bleef daarna decennialang denken, schrijven en redeneren vanuit precies dat ene godsbeeld dat hij daar had meegekregen: een God die de wereld uit het niets heeft geschapen, die in de absolute zin almachtig is, die alles weet en die volkomen goed is. Dat is het godsbeeld van het klassieke katholicisme, en het is ook het godsbeeld waartegen zijn hele latere oeuvre zich afzet.
Het probleem is dat dit precies het godsbeeld is waarbinnen de tetralemma van Epicurus niet te ontwijken is. Als God werkelijk alles kan, zonder enige beperking, en als Hij de wereld letterlijk uit niets naar Zijn eigen wil heeft ingericht, dan is de vraag ‘waarom liet Hij dan toch al dat lijden toe’ bijna onbeantwoordbaar. Vermeersch heeft dus, met al zijn scherpzinnigheid, een echte grens van zijn eigen opleiding blootgelegd. Niet een fout in zijn logica, maar een gat in de theologie die hem werd aangeleerd.
En dat gat is precies waar het Boek van Mormon een verklaring voor heeft. Nephi ziet in een visioen hoe, na de tijd van de apostelen, ‘vele duidelijke en zeer kostbare delen’ uit het evangelie worden weggenomen (1 Nephi 13:26-29). Niet vervalst uit boosaardigheid per se, maar verloren, vergeten, weggesleten doorheen eeuwen van menselijke overlevering. De profeet Amos had het al eeuwen vroeger aangekondigd als een ‘honger… naar het horen van de woorden van de Heer’ (Amos 8:11), en Paulus waarschuwde zijn eigen gemeenten dat er na zijn vertrek een ‘afval’ zou komen (2 Tessalonicenzen 2:3). Wat Vermeersch as jezuïet kreeg aangeleerd, was dus niet de volheid van wat ooit geweten werd over de aard van God. Het was een systeem dat, eerlijk gezegd, al eeuwen op zijn tandvlees liep om precies dit soort vragen te beantwoorden. Geen wonder dat een van de scherpste denkers die het ooit kreeg aangeleerd, er finaal op vastliep.
Slavernij: wet van een volk, niet wet van de eeuwigheid
Begin met het eerste punt. De tekstpassages die Vermeersch aanhaalt staan er werkelijk, en ze zijn naar onze maatstaf gewoon verschrikkelijk. Daar valt niets aan te verbloemen. Maar de vraag is niet of die teksten bestaan. De vraag is of ze het laatste woord van God zijn, of het tijdelijke woord van God aan een volk dat nog niet meer kon verdragen.
In het Boek van Mormon zegt de profeet Abinadi over de wet van Mozes iets dat hier rechtstreeks op aansluit: die wet werd aan Israël gegeven omdat het ‘een hardnekkig volk’ was, ‘snel om ongerechtigheid te doen’ (Mosiah 13:29). Het was geen eeuwige morele blauwdruk, het was een strenge, beperkende wet voor een volk in een bepaalde fase van zijn geschiedenis. De Leer en Verbonden zegt het nog scherper: geboden worden gegeven ‘naar de zwakheid’ van de mensen, ‘op de wijze van hun taal’, zodat ze tot begrip kunnen komen (Leer en Verbonden 1:24). Openbaring komt dus nooit los van de mensen die ze ontvangen. Ze komt gefilterd, aangepast, in stukken die een volk op dat moment kon bevatten.
Dat principe geldt niet alleen voor Israël drieduizend jaar geleden. Het geldt voor elke gemeenschap van gelovigen, ook de mijne. Tot 1978 gold in mijn eigen kerk een beperking op het priesterschap voor mensen van zwarte Afrikaanse afkomst, en in de jaren 1850 was slavernij ook in het door mormoonse pioniers bewoonde Utah-territorium wettelijk toegestaan. Mijn kerk heeft dat zelf, in 2013, openlijk erkend en de theorieën die het ooit moesten verantwoorden uitdrukkelijk verworpen als menselijke dwaling. Ik vertel dit niet om mezelf te kwellen, ik vertel het omdat het precies bevestigt wat ik hierboven beweer: openbaring groeit, doorheen mensen, doorheen tijd, naarmate een gemeenschap meer licht kan verdragen (2 Nephi 28:30). Wie dat principe alleen gebruikt om de Bijbel te verdedigen, en wegkijkt van de eigen geschiedenis, gebruikt het oneerlijk. Wie het consequent toepast, ook op zichzelf, mag het ook gebruiken om de Bijbel te lezen zoals ze gelezen moet worden: als menselijk getuigenis van Goddelijke openbaring, niet als een tijdloos wetboek.
En er is een dieper criterium om te onderscheiden wat draagt en wat meegesleept wordt. Lehi leert zijn zoon Jacob dat mensen ‘vrij zijn om vrijheid en eeuwig leven te kiezen… of om gevangenschap en dood te kiezen’ (2 Nephi 2:27). Keuzevrijheid is in mijn theologie niet zomaar één waarde naast andere, het is het organisatieprincipe van het hele plan, zo fundamenteel dat het al voor de schepping van deze aarde ter discussie stond. Slavernij is de meest radicale ontkenning denkbaar van precies dat beginsel. Wanneer een heilige tekst slavernij toelaat, is dat dus per definitie het menselijke element in die tekst aan het werk, niet het Goddelijke.
Het kwaad: een ander uitgangspunt dan Epicurus veronderstelde
Nu het zwaardere stuk. De tetralemma werkt alleen wanneer je drie dingen samen aanneemt: God kan letterlijk alles, zonder enige beperking, God is volkomen goed, en God heeft de wereld vanuit het absolute niets naar zijn eigen ontwerp gemaakt. Onder die drie aannames is de vraag ‘waarom dan toch kwaad’ bijna onontkoombaar, en dat is precies de God van het klassieke christendom, ook van de islam, zoals de tekst die ik kreeg zelf al opmerkt. Het verschilt trouwens wezenlijk niet van de beroemde uitspraak van Stephen Fry die ik ook regelmatig krijg toegestuurd en waar ik al over schreef.
Mijn theologie heeft die drie aannames nooit alle drie gedeeld, en dat is geen latere ontsnappingstruc, het staat er al sinds de eerste openbaringen van Joseph Smith. Materie is eeuwig, niet uit het niets geschapen (Leer en Verbonden 93:33). Intelligentie, het wezen van wie wij zijn, is evenmin geschapen of gemaakt, ‘noch kan het ook zijn’ (Leer en Verbonden 93:29). Keuzevrijheid is dus geen gunst die op elk moment kan worden ingetrokken, het is een eigenschap die even oud is als God zelf. En God handelt binnen een eeuwige orde van wetten, niet als een wil die boven elke wet en elke andere eeuwige werkelijkheid staat.
Daardoor verandert de vraag van vorm. Ze wordt niet beantwoord met een goedkope true: ‘God is blijkbaar niet almachtig’, maar met iets fundamentelers: een wereld waarin echte liefde, echte deugd en echte keuze mogelijk zijn, vereist de reële mogelijkheid van hun tegendeel. Lehi zegt het zo: ‘er moet noodzakelijk een tegenstelling zijn in alle dingen’ (2 Nephi 2:11). Zonder de mogelijkheid van bitter geen zoet, zonder de mogelijkheid van kwaad geen gerechtigheid, geen vreugde. Een wereld die het kwaad bij voorbaat technisch onmogelijk maakt, is geen betere versie van deze wereld. Het is een wereld zonder de mogelijkheid om werkelijk iets te kiezen of te worden. Daarom kan Lehi ook zeggen dat ‘Adam viel zodat de mens kon bestaan, en de mens bestaat zodat hij vreugde kan hebben’ (2 Nephi 2:25). Niet als sluitend bewijs, maar als het kader waarbinnen mijn vertrouwen staat: dit leven is geen storing in een verder volmaakt plan, het is de plek waar groei naar God toe werkelijk iets betekent.
Ik wil hier eerlijk in blijven, want makkelijk wegredeneren is geen geloof, het is zelfbedrog. Dit kader verklaart goed waarom mensen elkaar kwaad aandoen. Het verklaart minder makkelijk waarom een kind ziek wordt zonder ooit zelf een keuze te hebben kunnen maken, of waarom een aardbeving onschuldigen treft. Filosofen hebben de strikt logische versie van Epicurus’ redenering, zoals ze hier via Lactantius wordt aangehaald, intussen grotendeels verlaten als sluitend bewijs, juist omdat ze, zoals ik hierboven deed, een verborgen aanname over de aard van almacht in zich draagt. Maar de zwaardere vraag, waarom er zoveel lijden is en waarom het zo ongelijk verdeeld lijkt, blijft openstaan, ook voor mij. Mijn theologie geeft daar geen pijnloos antwoord op, alleen het vertrouwen dat ook dat lijden ooit een plaats krijgt, en een herstel, in een groter geheel dat ik nu nog niet volledig overzie.
Wat er teruggekomen is
Toen ik die twee bladzijden wegklikte, voelde ik niet dat mijn geloof was aangevallen. Ik voelde dat ik precies zag waarom het katholicisme waarin Vermeersch werd opgevoed dit soort vragen nooit volledig kon beantwoorden, en waarom hij, terecht, niet tevreden was met de antwoorden die hij kreeg. Het probleem zat niet bij zijn logica. Het zat bij de stukken van de waarheid die zijn kerk niet meer in handen had: dat materie eeuwig is, dat keuzevrijheid even oud is als God, dat tegenstelling geen ongeluk is maar een voorwaarde, en dat openbaring altijd komt naar de mate waarin een volk, of een mens, ze kan verdragen. Dat zijn precies de stukken die met het herstelde evangelie weer zijn teruggekomen.
Ik vind het hoe dan ook een heel goede vraag. Daarom dat ze op verschillende manieren al wel eens opduikt op mijn blog en deels ook de reden waarom ik mijn boek ‘Redelijk Gelovig’ heb geschreven. Het is zeker niet een direct antwoord op deze vraag, maar het is wel een antwoord op de vraag waarom ik geloof nog nuttig vindt in deze tijden. Boek komt uit op 15 september en is (nu reeds) te bestellen (in gesigneerde versie) op www.redelijkgelovig.be.
Discover more from GeensZins
Subscribe to have the latest posts sent to your email.






