Daar is het dan.
Een boek.
Dat klinkt veel eenvoudiger dan het voelt.
Maandenlang bestond ‘Redelijk gelovig’ vooral als een verzameling bestanden op mijn computer. Hoofdstukken die voortdurend veranderden. Zinnen die ik goed vond en een week later toch weer schrapte. Gedachten waarvan ik eerst zeker was dat ze helder waren, tot ik probeerde ze op papier te zetten en ontdekte dat helder denken en helder schrijven blijkbaar twee verschillende disciplines zijn.
En dan komt er plots een doos aan.
Je snijdt ze open, haalt er wat karton uit en daar ligt iets wat tot dan toe eigenlijk niet echt bestond.
Mijn boek.
Ik heb dat moment gefilmd. Niet omdat het openen van een kartonnen doos op zichzelf nu zoveel cinematografische kwaliteiten bezit, maar omdat het voor mij toch iets bijzonders had. Wat maandenlang abstract was, had plots gewicht. Papier. Een kaft. Een rug. Bladzijden die je kunt omslaan.
En mijn naam erop.
Dat laatste blijft misschien nog het vreemdste.
Maar terwijl ik het boek vasthield, dacht ik ook: uiteindelijk is dat allemaal maar verpakking. Waar het mij echt om gaat, zit niet in die doos.
Het zit in de vraag waarmee het boek begon.
Kan je vandaag nog redelijk in God geloven?
Die vraag klinkt voor mij veel minder vanzelfsprekend dan ze misschien lijkt.
We leven in een wereld waarin we meer weten dan ooit tevoren. Wetenschap heeft ons een universum laten zien dat veel groter, ouder en vreemder is dan onze voorouders zich ooit konden voorstellen. We begrijpen steeds beter hoe leven ontstaat, hoe ons brein werkt en hoe de natuurwetten functioneren. Tegelijk zijn we kritischer geworden voor religie, kerkelijke instellingen en voor antwoorden die vroeger zonder veel vragen werden aanvaard.
Dat lijkt mij trouwens grotendeels een goede zaak.
Geloof dat niet tegen vragen kan, heeft waarschijnlijk een probleem.
Maar ergens is er in onze samenleving een merkwaardige verschuiving gebeurd. Kritisch nadenken over religie werd voor sommigen bijna hetzelfde als religie achterlaten. Alsof wetenschap en geloof twee concurrerende verklaringsmodellen zijn waarvan er maar één kan winnen.
Alsof je op een bepaald moment moet kiezen.
Ofwel geloof je.
Ofwel denk je na.
Met precies dat beeld heb ik moeite.
Niet omdat ik alle spanningen tussen geloof en wetenschap wil wegmasseren. Die zijn er wel degelijk geweest en soms zijn ze er nog. Religieuze mensen hebben aantoonbaar dingen beweerd die niet klopten. Wetenschap heeft oude zekerheden onderuitgehaald en zal dat ongetwijfeld blijven doen.
Maar daaruit volgt nog niet dat de vraag naar God verdwenen is.
Wetenschap kan ons steeds beter vertellen hoe het heelal functioneert. Ze kan modellen bouwen over het ontstaan van sterren, planeten en leven. Ze kan onderzoeken wat er in onze hersenen gebeurt wanneer we bidden, liefhebben, verdriet hebben of een religieuze ervaring beleven.
Maar sommige vragen blijven van een andere orde.
Waarom bestaat er überhaupt iets?
Waarom is de werkelijkheid begrijpelijk?
Waarom ervaren mensen morele verplichtingen alsof goed en kwaad méér zijn dan persoonlijke voorkeur?
Waarom zoeken mensen, in vrijwel elke cultuur en tijd, naar betekenis die hun eigen leven overstijgt?
En misschien nog fundamenteler: waarom hebben we eigenlijk het gevoel dat zulke vragen ertoe doen?
Nu weet ik wel dat er op sommige van die vragen ondertussen antwoorden bestaan, of toch pogingen tot antwoorden. Er zijn natuurkundigen die uitleggen waarom een heelal met precies deze basisconstanten minder toevallig is dan het lijkt. Er zijn evolutiebiologen die uitleggen waarom een sociale diersoort morele intuïties ontwikkelt. Dat zijn geen flauwe antwoorden. Ik neem ze serieus.
Maar zelfs als je elk van die mechanismen volledig aanvaardt, verdwijnt de vraag niet. Ze verschuift alleen een niveau. Waarom bestaat er een heelal waarin zulke mechanismen kunnen bestaan? Waarom bevat de natuur precies de wetten die evolutie, moraliteit en bewustzijn mogelijk maken, in plaats van andere wetten, of geen, of niets? Dat is geen gat dat wetenschap alleen nog moet opvullen. Het is een vraag die blijft staan, hoe volledig het mechanisme ook ooit wordt.
Dat is trouwens ook waarom ik niet wil dat God functioneert als noodoplossing voor wat wetenschap nog niet kan verklaren. Zo’n God zou almaar kleiner worden, precies in het tempo waarin wetenschap groeit. Daar geloof ik niet in.
Geen van de vragen hierboven bewijst dat God bestaat.
Dat probeer ik in het boek ook niet te doen.
Ik geloof niet dat God zich laat reduceren tot de laatste ontbrekende variabele in een vergelijking. En ik wantrouw argumenten die doen alsof één slimme redenering tweeduizend jaar filosofische discussie definitief kan afsluiten.
Zo eenvoudig is het niet.
Maar het omgekeerde lijkt mij evenmin redelijk: doen alsof de afwezigheid van een wiskundig bewijs betekent dat de vraag niet langer serieus hoeft te worden genomen.
We leven voortdurend met overtuigingen waarvoor we geen mathematisch bewijs hebben. We geloven bijvoorbeeld dat andere mensen een bewustzijn hebben. Die overtuiging is in zekere zin onvermijdelijk: je kan niet functioneren zonder ervan uit te gaan dat de mensen om je heen echt iets voelen en denken.
Bij geloof in God ligt dat anders. Niemand is gedwongen te geloven. Miljoenen mensen leven, denken, liefhebben en handelen prima zonder. Dat verschil wil ik niet wegmoffelen.
Maar precies daarom lijkt de vergelijking mij interessanter dan wanneer alles op elkaar zou lijken. Er zijn overtuigingen die we noodgedwongen aanvaarden, zoals het bewustzijn van anderen. En er zijn overtuigingen die we vrijwillig aanvaarden, niet omdat het niet anders kan, maar omdat ze de beste verklaring lijken voor alles wat we zien, voelen en ervaren. Dat we liefde meer vinden dan een reeks chemische reacties, hoezeer die reacties er ook zijn. Dat onze herinneringen, hoe onvolmaakt ook, ons vertellen wie we zijn. Dat sommige morele keuzes echt goed of echt fout zijn, en niet gewoon een kwestie van smaak.
Dat maakt zulke overtuigingen niet automatisch waar.
Maar ook niet betekenisloos.
En het plaatst geloof in God, denk ik, in die tweede categorie: niet als iets waartoe je gedwongen wordt, maar als een overtuiging die je vrijwillig kan aanvaarden omdat ze, alles samengenomen, de beste verklaring lijkt.
Misschien is dat uiteindelijk de gedachte die door heel ‘Redelijk gelovig’ loopt.
Geloof is voor mij geen alternatief voor nadenken.
Het is iets waarover ik juist wil nadenken.
En soms ook twijfelen.
Want twijfel en geloof staan volgens mij minder tegenover elkaar dan we vaak denken. Twijfel kan geloof afbreken, maar het kan het ook zuiveren. Het dwingt je om onderscheid te maken tussen wat je werkelijk gelooft en wat je ooit gewoon hebt overgenomen omdat anderen het zeiden.
Ik heb in mijn leven genoeg vragen gehad.
Over God. Over lijden. Over gebed. Over religieuze instituties. Over teksten die duizenden jaren oud zijn en toch vandaag nog betekenis zouden moeten hebben. Over waarom sommige gebeden lijken te worden beantwoord en andere niet. Over hoe een goede God zich verhoudt tot een wereld waarin soms verschrikkelijke dingen gebeuren.
Ik heb op veel van die vragen geen sluitend antwoord.
Toch geloof ik.
Niet ondanks mijn verstand.
Maar ook niet omdat mijn verstand alles heeft opgelost.
Ik geloof omdat de som van wat ik zie, ervaar, lees, denk en hoop mij uiteindelijk in die richting wijst. Niet één bewijs, maar een stapeling van aanwijzingen die samen zwaarder wegen dan elk apart: dat het heelal begrijpelijk blijkt voor wezens die er toevallig in zouden zijn ontstaan, dat moraliteit aanvoelt als ontdekking en niet als uitvinding, dat mensen in elke cultuur op zoek blijven naar iets wat hen overstijgt, dat mijn eigen leven, mijn gebeden, mijn twijfels en mijn lezen mij steeds weer naar diezelfde plek hebben teruggebracht. Geen van die dingen bewijst iets op zichzelf. Samen vormen ze voor mij wel het beeld dat het meest overtuigend overeenkomt met wat ik ervaar.
Iemand anders kan naar dezelfde werkelijkheid kijken en tot een andere conclusie komen.
Dat moet kunnen.
Misschien is dat zelfs noodzakelijk als we serieus willen praten over geloof.
Ik heb weinig interesse in gesprekken waarin de gelovige de ongelovige moet verslaan, of omgekeerd. Ik zou veel liever begrijpen waarom iemand denkt wat hij denkt. Welke ervaringen hebben hem gevormd? Welke argumenten vindt hij overtuigend? Waar twijfelt hij aan?
Daarom hoop ik vooral dat dit boek gesprekken veroorzaakt.
Niet bekeringen.
Gesprekken.
Met mensen die geloven.
Met mensen die niet geloven.
Met mensen die ooit geloofden.
En met die grote groep mensen die zegt: ‘Ik geloof wel in iets’, maar zelf niet precies weet wat dat iets dan zou kunnen zijn.
Misschien is dat trouwens wel de interessantste plek om te beginnen.
Niet bij zekerheid.
Maar bij nieuwsgierigheid.
En terwijl ik hier nu dat boek naast mij zie liggen, voelt dat eigenlijk wel passend.
Het boek is af.
De vragen gelukkig nog niet.
Ontdek meer van GeensZins
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

